Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Vijftig jaar Enkhuizer Courant (1920)

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: klaas koeman en paul gutter

Vijftig jaar Enkhuizer Courant (1920)
Jubilea zijn altijd een mooi moment om terug te blikken. Dat deed de Enkhuizer Courant dus ook, toen het dagblad in 1920 vijftig jaar bestond. Er was veel veranderd sinds 1870.

De stad maakte in 1870 nog een dieptrieste en vervallen indruk, zo constateert een verslaggever op 25 september in een artikel over de periode van 1870 tot 1920. Wel pittoresk en schilderachtig, met een 'eigenaardige bekoorlijkheid', maar er heerste wel een ondergangsstemming.

Vijftig jaar Enkhuizer Courant (1920)
Er was veel gesloopt, 'er was geen interesse geweest voor gebouwen met historische of architectonische waarde'.

Dat een aantal grachten gedempt was, begreep hij wel. Natuurlijk vond hij het jammer, maar uit het oogpunt van volksgezondheid en verkeer was het goed dat die 'stinkgrachten' verdwenen waren. De bevolking groeide en het was de stad aan te zien. Nieuwe straten waren er bijgekomen, lege plekken waren volgebouwd. De Westerstraat was een mooie levendige winkelstraat geworden. Het Snouck van Loosenpark was een sieraad voor de stad.

Met trots wordt een hele lijst van nieuwe bouwwerken opgesomd. Het station, het Snouck van Loosenziekenhuis, het weeshuis, de HBS, de verschillende lagere scholen, de visafslag en de 'gazfabriek'. Vooral de gazfabriek had een enorme impact op het dagelijks leven. De verlichting in huis kon nu veel makkelijker en veiliger geregeld worden en je kon ook koken met gas. Hoewel, het nieuwe petroleum was ook wel erg gemakkelijk. En er waren ook al berichten over elektriciteit. De burger merkte in zijn eigen huis dat de wereld veranderde.


Knappe boterham

De economie bloeide. Sluis en Groot was een bedrijf met wereldconnecties. Op de scheepswerf werkten in 1870 maar acht personeelsleden en in 1920 waren dat 80 à 90 man. De stad had fabrieken waar cement, papier, kachels en cacao gemaakt werd. Daarnaast verdienden veel mensen een knappe boterham in de tuinbouw.

Enkhuizen was over water ook veel beter te bereiken. Door de sterke ebstroom was het altijd lastig geweest om de haven binnen te lopen, Bij zuidenwind durfden veel schippers niet eens, bang om de haveningang te missen en op de dijk te lopen. De vele zandbanken maakten het laveren bijna onmogelijk. Er werden stroomgeleidende dammen aangelegd zodat het Krabbersgat ontstond. Het was een groot succes. Er moesten zelfs nieuwe havens aangelegd worden.

Het post- en telegraafkantoor had zijn eigen onderkomen gekregen aan het Boschplein, zodat de postbeambten niet meer in een tochtige ruimte in de Drom hun werk hoefden te doen. De eerste stoommachine kwam er: in 1877 werd het stoomgemaal in de polder de Hout in werking gesteld.

Natuurlijk waren er ook mislukkingen. De Kaasmarkt - in 1869 werd nog 476.714 kilo kaas verkocht - was uit de stad verdwenen. Een veemarkt was er ook niet meer. Men had geprobeerd om met een tweetal loggers de Noordzeevisserij nieuw leven in te blazen, maar dit werd een fiasco. Om over de lijdensweg van de (stoom)tram naar Hoorn maar te zwijgen. Zelfs de paardentram was een financieel drama geworden.

Maar al met al was de stad was er in 50 jaar enorm op vooruitgegaan. In 1869 moest de gemeente 7500 gulden betalen aan armenzorg. In 1918 was dit, ondanks een sterk stijgend bevolkingsaantal, 8300 gulden. Relatief gezien dus een enorme daling.

Tevreden stelde de Enkhuizer Courant vast dat ze een werkzaam aandeel had gehad aan die vooruitgang. De krant was trots op de stad en ook op zichzelf.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube