Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Een grimmig soort woningnood

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Rond 1950: Burgemeester Admiraal in gesprek met dhr. J. in 't Veld, minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Die besliste hoeveel woningen een gemeente mocht bouwen.
Rond 1950: Burgemeester Admiraal in gesprek met dhr. J. in 't Veld, minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting. Die besliste hoeveel woningen een gemeente mocht bouwen.
De kersverse burgemeester Admiraal hield in februari 1950 zijn eerste nieuwjaarstoespraak. Hij sprak voor een [....] , een kleine honderd meer dan in het jaar daarvoor. De stijging was te danken aan het geboorteoverschot.

Er was in 1949 aardig geïnvesteerd in de stad. Er was een havenverlichting aangelegd, zodat je 's nachts veilig de schepen op of af kon komen. De weg bij de visafslag was eindelijk verhard, het was niet meer een glibberige modderpoel en de brandweer had een nieuwe spuitwagen aangeschaft' die tot ver buiten de gemeentegrens ingezet kon worden. Zo kon burgemeester Admiraal een heel rijtje punten opnoemen waaraan je kon zien dat de tijden langzamerhand beter werden. Er werd zelfs gerestaureerd. Ondanks de woningnood was er toestemming om de Westerkerk te restaureren.

Die woningnood bleef natuurlijk wel een probleem. Tweehonderd woningen kwam de stad elk jaar tekort. Het rijtje duplexwoningen in de Oranjestraat en de huisjes in de Nanne Grootstraat brachten dat tekort niet echt naar beneden. Admiraal overwoog zelfs een tweede ambtenaar aan te stellen om woningruimte op te sporen. Met enige regelmaat dwong hij zelfs inwoning af. Den Haag werkte niet echt mee om het tekort weg te werken. Dertien woningen mocht de gemeente in 1950 bouwen; nauwelijks genoeg om het aantal nieuwe onbewoonbaar verklaarde woningen te vervangen.

De gemeentebedrijven lieten een voorzichtige groei zien. De gasfabriek aan de Oosterhaven had nog niet het vooroorlogse productieniveau. Met de slechte kwaliteit van de geleverde kolen kon dat ook niet, maar er was een herstel zichtbaar. De ergste gaten in de persgasleiding naar en door De Streek waren gedicht en buiten de kookuren om was de druk redelijk op peil.

Het gebruik van de haven steeg. De pleziervaart op het IJsselmeer werd steeds belangrijker. Helaas was het voor de visserij, normaal een bloeiende bedrijfstak, zomaar een slecht jaar. Zowel de aanvoer als de opbrengst was een stuk minder dan in 1949. Maar zelfs in zo'n slecht jaar was de omzet van de gemeentelijk visafslag toch nog 2.229.488 gulden!

In de raadsvergadering, die op de nieuwjaarstoespraak van de burgemeester volgde, werd de gewone agenda afgewerkt. De ontslagaanvraag van een onderwijzer van de ULO vroeg direct om de aandacht. De man wilde weg, omdat hij zich tekort gedaan voelde. Het gemeentebestuur had hem een ruime woning aangeboden als hij in Enkhuizen kwam werken. Maar meer dan inwoning bij een ander gezin had hij niet gekregen. Het raadslid Roosendaal wilde weten hoe het zat.

Het was de PydA-wethouder geweest die de toezegging gedaan had. Waarom had de nieuwe wethouder zijn toezegging niet gestand gedaan? Zo makkelijk was het niet om aan onderwijzers te komen. Wethouder Beekhoven waste zijn handen in onschuld. De onderwijzer had een gedeelte van een woning op stand aangeboden gekregen met een woonkamer, een studeerkamer, een slaapkamer en een vrije keuken, terwijl het gezin maar uit twee personen bestond!

De burgemeester viel zijn wethouder bij. De aangeboden woonruimte was passend geweest. Wat wel een fout was geweest was het feit dat het onderwijzersgezin ondergebracht was bij een gezin met een ander geloof. Je lieptlan het risico dat de een kerkmuziek wilde beluisteren en de ander jazzmuziek! Overigens speet het de burgemeester wel dat de heer Hart vertrok: het was een prima onderwijzer.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube