Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Geen Oliver Twists in Enkhuizer weeshuis

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Geen Oliver Twists in Enkhuizer weeshuis
Sinds Oliver Twist om een extra biordje pap vroeg, zijn wezen in onze ogen beklagenswaardige schepsels. In armoede sleten ze hun droevige jeugd in sombere gebouwen, hardvochtige geleid door wrede weesvaders en -moeders. Of dat in het Weeshuis aan de Westerstraat ook zo was? Gelukkig niet. Zo extreem als in het Londen van de 19de eeuw was het hier niet.


Maar het was ook geen vetpot. Tot in de 18e eeuw waren de weeshuizen rijk geweest. Legaten en schenkingen hadden er voor gezorgd dat de bestuurders van de verschillende weldadige inrichtingen goed voor de armen, wezen, bejaarden en zieken konden zorgen. Maar in de Franse tijd waren de kapitalen verdampt. In die jaren waren er ongeveer honderd wezen. Men had nauwelijks geld voor ze. Napoleon had zelfs verordonneerd dat de wat oudere jongens bij verschillende regimenten van zijn leger ingelijfd moesten worden.

In het Enkhuizer weeshuis moest zelfs beknibbeld worden op het eten voor de kinderen. De melk moest worden aangelengd met water! De beschuiten voor in de melk werden kleiner en de weesjes kregen op sommige dagen geen beschuiten meer, maar gort en meel. En 's winters kregen de kinderen klompen in plaats van schoenen. Die sleten niet zo hard. Het lot van de wezen zal niet veel anders geweest zijn dan het lot van veel 'gewone' Enkhuizer kindertjes. Bijna de hele stad leefde in armoedige omstandigheden.

In de tweede helft van de negentiende eeuw krabbelden de stad én het Weeshuis op. Het Weeshuis kreeg weer wat legaten, die van mejuffrouw Margaretha de Vries was misschien wel de bekendste. De scherpe kantjes van de armoede raakten er wat af. De weeskinderen konden een dagje op reis, bij verjaardagen werd er op wat snoepgoed getrakteerd en er kon zelfs Sinterklaas worden gevierd worden. En in het begin van de twintigste eeuw kon het oude, toch wat sombere, weeshuis zelfs vervangen worden door nieuwbouw. Langzaam raakten de armoedige tijden in vergetelheid.

In 1951 bestond het Weeshuis vierhonderd jaar. Het werd op 22 september gevierd met een receptie. Uiteraard waren de notabelen op de receptie uitgenodigd, een kinderrechter en verschillende collega-bestuurders van andere weeshuizen gaven acte de presence. De rij werd geopend door het 'grote gezin'. Voorafgegaan door de weesvader en -moeder kwamen de kinderen hun regenten en regentessen een passend cadeau aanbieden. De regenten kregen een fraaie sigarenkoker voor op de vergadertafel. De regentessen kregen een verzilverde suikerschep. Uiteraard was ook het gemeentebestuur aanwezig met een geschenk. Uit handen van burgemeester Admiraal ontving de president van het college van regenten en regentessen - de heer Bekkering, hij was arts in het Snouck van Loosenziekenhuis - de gouden stadsmedaille. De hoge onderscheiding werd uiteraard met grote dankbaarheid aanvaard.

De weeskinderen kregen van de Diaconie van de Hervormde Kerk en het Liefdeshuis van mejuffrouw De Vries een grote fruitmand met voor elk kind een versnapering.

Heel bijzondere gasten waren de vele oud-bewoners van het weeshuis. Zelfs de heer Slot uit Rijswijk en de heer De Bree uit Amsterdam waren er. Beide bejaarde heren woonden in de jaren 90 van de negentiende eeuw in het huis. Tijdens deze receptie werd aan de heer Slot gevraagd zijn herinneringen op te schrijven. Graag voldeed hij aan het verzoek. De heer Slot keek met plezier terug aan zijn verblijf in het oude weeshuis. Oliver Twist zou jaloers geweest zijn.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube