Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Mensen-Artis of levend Zuiderzeemuseum?

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

De nagebouwde vissershuisjes op de Zuiderzee Visserij Tentoonstelling in 1930.
De nagebouwde vissershuisjes op de Zuiderzee Visserij Tentoonstelling in 1930.
In het jaarboek De Speelwagen van juli 1950 hield Sjoerd Spoelstra een gloedvol betoog over het Zuiderzeemuseum. Het binnenmuseum was op 1 juli van dat jaar geopend, maar, zo lijkt de boodschap in De Speelwagen te luiden: 'het échte museum moest het buitenmuseum worden'.

Spoelstra was bestuurslid van de vereniging Vrienden van het ZZM en als zodanig één van de gangmakers van het museum. Met brede gebaren schetste hij zijn ideale buitenmuseum. 'Dan moest het uitzicht behouden (blijven) over de weidsheid van de grote plas, dan moesten botters en jollen zijn haven in-en uitscheren, dan moest het klompenvertier van het vissersvolk in rap bedrijf over de steigertjes klossen, de pasgeteerde netten over de staken te drogen hangen en de scherpe geur van vis-in-de-rook door de buurten waren'.

Met andere woorden: Sjoerd Spoelstra droomde van een Zuiderzeedorp met echte vissers en echte ambachtslieden met echte gezinnen. Hij zag al een dorp op het Kooizand verrijzen met een scheepswerf, een (Makkumer) aardewerkfabriek en werkplaatsen waar Genemuider matten gevlochten werden. De bewoners van het museumdorp zouden verplicht zijn hun klederdracht te dragen, hun huizen traditioneel in te richten en op ouderwetse wijze in hun levensonderhoud te voorzien. Het museum zou zo ook nog eens rendabel zijn.

Nu was het inzetten van mensen als museumobjecten geen nieuwe gedachte. Al in de negentiende eeuw richtten verschillende landen op de grote wereldtentoonstellingen hele dorpen in om te laten zien hoe de volkscultuur in hun landen bewaard was gebleven. In 1888 werd op de Maliebaan in Den Haag een compleet Marker gezin geëxposeerd. Ook de koloniën werden niet vergeten. In 1883 werd op het Museumplein in Amsterdam een Javaanse Kampong ingericht, compleet met bewoners.


Ook op de Zuiderzee Visserij Tentoonstelling in 1930 was een vissersdorp gebouwd met echte vissersfamilies. Jaren later herinnerde zich een bezoekster nog zo'n huisje uit Urk. In een hoek van de kamer zat een oude visser zijn pijpje te roken met zijn oliegoed nog aan. „De man moet het snikheet gehad hebben in het warme weer".

Maar heel langzaam begon men het gebruiken van levende mensen als expositiemateriaal ethisch discutabel te vinden. Spoelstra kreeg in een ingezonden brief in de Nieuw Enkhuizer Courant commentaar op zijn plannen.

Het was professor Jan Klopper die zich verzette tegen het tentoonstellen van mensen. Jan Klopper was niet de eerste de beste. Hij was de jongste hoogleraar ooit in de geschiedenis van de TH in Delft. En hij was afkomstig uit een gewone tuinderfamilie uit het Westeinde.

Hij verzette zich tegen de plannen voor een buitenmuseum. „Het was een natuurlijke zaak dat oude dingen verdwijnen", betoogde hij. „Het is prima dat je hier en daar, zoals in Arnhem en Enkhuizen, wat van die dingen bewaart. Maar moest je mensen voor geld in ouderwetse pakjes in dito huisjes tentoonstellen? Laat elke lezer eens indenken of hij zijn eigen zoon of dochter in zo'n mensen-Artis wilde laten leven".

En rendabel kon dat natuurlijk nooit worden. Binnen de kortste keren zouden de bewoners er ansichtkaarten verkopen en tegen betaling hun huisjes openstellen. Er zou een nare toeristenindustrie ontstaan. Een mooi binnenmuseum was een goede ontwikkeling, zo besloot hij zijn artikel, maar laat een buitenmuseum maar zitten.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube