Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Toen de sjouwhaalders soms ook redders waren

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

De enkhuizer reddingsboot K.F. Sluys, rond 1950. Van 1948 tot 1972 was het schip in Enkhuizen gestationeerd.
De enkhuizer reddingsboot K.F. Sluys, rond 1950. Van 1948 tot 1972 was het schip in Enkhuizen gestationeerd.
'Dank u voor uw gedane moeite heer burgervader met verontschuldigingen van dit schrijven bij voorbaat als ondergetekende fouten heeft geschreven of beledigingen uwer zijde. Ondergetekende licht voor de reddingsboot tegenover H. Buis Vishandel, Rookerij en Zouterij.' Zo eindigde van Timmeren zijn brief aan burgemeester Haspels in juli 1948.

In de brief beschreef van Timmeren zijn schipbreuk met het schip Martje. Door het breken van het roer was alles 'met de golven in zee vergaan'. Weliswaar was het schip inmiddels gelicht, maar de onfortuinlijke schipper was het inventaris van zijn schip kwijt. 'Beddengoed, boven- en onderkleren, potten en pannetjes, borden etc etc'. Hij vroeg heer burgervader om wat beddengoed en ondergoed. Maar hij had ook een stormlantaarn nodig, een schippershoorn en een wrikspaan, dat moést hij wettelijk aan boord hebben en wat haven- en sluisgeld voor in de volgende haven. En hij had nog een rekening bij dokter Van de Heide en de drogist openstaan.

Gelukkig was burgemeester Haspels voorzitter van de Vereniging tot Aanmoediging der Redding van Schipbreukelingen. Die vereniging had een fonds voor dit soort gevallen. Ongetwijfeld heeft het bestuur ervoor gezorgd dat de schipper en zijn vrouw weer wat beddengoed kregen en dat ze met hun schip Martje hun koers weer konden vervolgen.

Enkhuizen had geen eigen reddingboot. Ooit was er in de negentiende eeuw wel eentje geweest, maar de toenmalige burgemeester van Bleiswijk had er de noodzaak niet van in gezien en het bootje was verkocht. Reddingen werden door zo genaamde sjouwhaalders verricht.
Bij slecht weer, storm of mist, hingen er bij het havenhoofd of bij de zeemuur vissers rond. Ze praaiden elk schip dat binnenviel of tuurden naar de zee of een schip een rare koers voer of zelfs stil lag. Zo gauw ze vermoedden dat er wat aan de ook redders waren hand was dan vlogen ze naar hun vletten en roeiden ze zo hard als ze konden naar het schip. Het ging ze niet om het redden van mensenlevens. Het ging ze om de 'sjouw', het geld dat ze konden verdienen door assistentie te verlenen. Felle ruzies ontstonden er op volle zee, tijdens de ergste stormen. Ruzies tussen de sjouwhaalders onderling, maar ook tussen de sjouwhaalders en de schippers. De schippers vonden vaak de prijs van de hulp te hoog: het kwam meerdere malen voor dat de sjouwhaalders dan op zee bleven wachten totdat de nood van de schipper hoog genoeg was en de arme man wel moest betalen.

Tijdens felle stormen zijn er contracten ondertekend op afgescheurde stukjes papier met afgebrande lucifers. Maar het kwam ook voor dat een schipper zijn kalmte bewaarde. Rustig wachtte hij dan op de komst van hoog water of een verandering van de wind af om bijvoorbeeld op eigen kracht van een zandbank af te komen. De sjouwhaalders bleven dan woedend achter.

Het bestuur van Vereniging tot Aanmoediging der Redding van Schipbreukelingen moest niets van deze prakrijken hebben. Burgemeester Haspels, vicevoorzitter P. Admiraal, havenmeester J. Poorta en J. de Bruin, secretaris en penningmeester, spraken in een vergadering in 1936 hun afschuw uit over het sjouwhalen. Poorta sprak zelfs van zeeroverspraktijken.

Het sjouwhalen verdween nooit helemaal, maar vanaf 1944 kreeg Enkhuizen zijn eigen reddingboot. Dat betekende dat als een schipper echt in nood was hij niet meer over de prijs van zijn redding hoefde te onderhandelen.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube