Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Stad bibbert bij gedachte aan vele autobussen

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Westerstraat omstreeks 1965, een doolhof van verkeersborden
Westerstraat omstreeks 1965, een doolhof van verkeersborden
Enkhuizen had een verkeersprobleem. Het zware verkeer uit Andijk had de grootste moeite de Streekweg en de weg naar Hoorn te bereiken. De vrachtwagens moesten zich via de Noorderweg, het Spaans leger, de Paulus Potterstraat en de Westerstraat door de stad wringen.

Vooral de hoek Paulus Potterstraat en de Westerstraat was lastig. Ook maakte men zich ongerust over de komst van de grote aantallen bezoekers aan het Zuiderzeemuseum. Er was een parkeerterrein in het Wilhelminaplantsoen gepland, maar de route daarnaar toe - via Westerstraat, Kaasmarkt en Noorderhavendijk - was niet geschikt voor de vele autobussen die men verwachtte.

Het terugkerende verkeer zou via de Wegjes, de Karnemelksluis, Driebanen en de Oude Gracht de stad weer kunnen verlaten. Maar ook die route was niet geschikt voor autobussen. Een mooie oplossing zou zijn, zo schreef de Nieuw Enkhuizer Courant in februari 1950, om de Oude Gracht en de Driebanen te dempen. Er ontstond dan een mooie brede weg dwars door de stad.

Bijkomend voordeel was dat de Driebanen toch een open riool was, dus dat ruimde mooi op. Aan de Oude Gracht en de Driebanen waren geen agrarische bedrijven gevestigd. Dus niemand had het water nodig om naar zijn land te varen. De Prinsengracht kon ook wel gedempt worden. Hierdoor zou er een mooie parkeergelegenheid aan de rand van de oude stad ontstaan.

Ook in de raad was het moderne verkeer een onderwerp van vele discussies. Vooral Piet Rodenburg van de PvdA maakte uiterst gedetailleerde voorstellen. Hij pleitte voor het wit schilderen van de bruggen over de Zuiderhavendijk. De huisartsen hadden geklaagd dat ze 's nachts niet goed konden zien waar die bruggen waren. B&W voelde hiervoor niet veel.

Netten

Wethouder Kofman was bang dat de verf snel zou afslijten, omdat de vissers die brugleuningen gebruikten om hun netten te drogen. Het antwoord van Rodenburg dat dat verboden was, maakte weinig indruk. De gemeente liet wel reflectoren aanbrengen op de leuningen, maar volgens Rodenburg zaten die op de verkeerde plaats.

In januari 1951 discussieerde de raad over stopverboden. Het bestuur van de winkeliersvereniging wilde een parkeerverbod voor het stukje Westerstraat tussen de Zuiderkerksteeg en de Breedstraat. Voorstellen om ook een stopverbod in de rest van de Westerstraat in te voeren stuitten op grote bezwaren in de raad. Dat zou de winkeliers zeker klandizie kosten. Ook Rodenburg was er van overtuigd dat stopverboden zeer ongewenst waren.

Hij memoreerde ook de overdadige hoeveelheid verkeersborden in de stad. Men zag door de bomen het bos niet meer. De borden hielpen trouwens ook niet. Toen FC Volendam hier tegen Westfrisia kwam spelen, moest het voltallige politiekorps toch nog de straat op om het verkeer in goede banen te leiden.

Het stadsbestuur werd door meer verkeersproblemen geplaagd. Veel straten waren niet of nauwelijks bestraat. Vooral 's winters waren het modderpoelen vol kuilen. Maar het was moeilijk om aan klinkers te komen. Als de stad al toestemming van Haarlem kreeg - Den Haag en de provincie controleerden zeer nauwlettend het gebruik van bouwmaterialen -dan werden de bestuurders geconfronteerd met levertijden van een jaar!

Het voorstel om dan maar asfalt te gebruiken leverde felle discussies op. En dan de bruggen: de brug in de Molenweg bijvoorbeeld was veel te licht om het zware autoverkeer te dragen.

Gelukkig werd er in april 1951 een doorbraak bereikt in de verkeersproblematiek. De raad besloot een aparte verkeerscommissie te benoemen; Piet Rodenburg werd uiteraard voorzitter.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube