Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

De felle strijd voor de cultuursubsidies

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Muziekkorps Patrimonium op concours in Slootdorp in 1953
Muziekkorps Patrimonium op concours in Slootdorp in 1953
Als het KSM - het Koninklijk Stedelijk Muziekcorps - een subsidie krijgt, moeten De Eendracht en Patrimonium dan ook een bedrag van de gemeente krijgen? De hele jaren 50 was dit een heikel punt.

Dat er subsidies gegeven werden aan culturele instellingen stond, inmiddels buiten kijf. Op een bijeenkomst van de Culturele Raad in de Volkshogeschool in Bergen verwoordden de autoriteiten de noodzaak van deze subsidies.

De heer Mulder, secretaris van het Prins Bernhardfonds, meende dat de subsidies geen gunst of liefdadigheid meer waren. 'Door de collectivisering in de welvaartsbesteding en de egalisering van de inkomens en de vermogens' moest de overheid wel bijspringen. Met andere woorden: er zijn geen rijken meer om als mecenas op te treden, de staat moest er nu voor zorgen dat de culturele instellingen geld kregen.

„De geestelijke ontwikkeling van het volk blijft achter bij de snelle maatschappelijke en technologische veranderingen", sprak hij ernstig. Het in stand houden van culturele verenigingen was een belangrijke taak van de overheid. De raad van Enkhuizen stelde jaarlijks zo'n drieduizend gulden beschikbaar. Maar ja, hoe verdeel je dat?

KSM kreeg extra geld. Het korps werd wel gevraagd meer bij officiële gelegenheden op te treden. Het had uniformen en professionele dirigenten, Gerard Boedijn en later Jack P. Ham. De Eendracht en Patrimonium hadden geen uniformen en traden minder op, dus die hadden ook wat minder kosten. Het Enkhuizer Accordeon Orkest, Crescendo en Concordia moesten het met nog minder stellen, die traden nog minder op. Met andere woorden: in 1950 KSM kreeg 550, De Eendracht en Patrimonium 375 en Het Enkhuizer Accordeon Orkest, Crescendo en Concordia respectievelijk 150,150 en 125 gulden van wethouder Beekhoven.

De discussie hierover zou elke begrotingsvergadering losbarsten. In 1957 vroeg ook de Enkhuizer Drumband een subsidie aan. Wethouder Verver wees die subsidieaanvraag af. Die muziek was geen cultuur meer, „of het zou de oercultuur van de negers moeten zijn". In die tijd kon je nog weg komen met zo'n opmerking.

De christelijke oratoriumvereniging Stem en Snaren zorgde ook voor felle discussies. Ze kregen een reguliere subsidie, maar wilden ook geld uit het potje Bijzondere Culturele Manifestaties. Ze organiseerden namelijk elk jaar een Weinacht-soratorium. De gemeente vond een korting van de vermakelijkheidsbelasting wel voldoende. En in 1956 ging de extra subsidie ook niet door. Wethouder Verver wilde ook wat geld bewaren voor een aanvrage van een demonstratie klederdrachten, die er nog lag.

In 1959 schreef Toonkunst nog een boze brief aan de gemeente, omdat zij maar vierhonderd en Stem en Snaren zeshonderd gulden kreeg! De raad vond dat Toonkunst gelijk had en verlaagde de subsidie van Stem en Snaren tot vierhonderd gulden!

Ook de toneelvereniging Plan Zuid kreeg een subsidie. En elk jaar verklaarde het raadslid Boeder daar om principiële redenen tegen te zijn. In 1950 maakte hij bijna een fout: Plan Zuid kreeg wel een subsidie en het katholieke Entre Nous niet. Dat vond hij onjuist. Wethouder Beekhoven kon niet nalaten zijn vreugde te uiten over het feit dat Boeder nu wel voor subsidies aan een toneelclub was.

In december 1959 stelde wethouder Westdorp een nieuwe subsidiebeleid voor. Het recht op een subsidie werd nu een van de uitgangspunten. In het Enkhuizer subsidieland waren de jaren 60 begonnen.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube