Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Lot van oude Stadsherberg laat Enkhuizen koud

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

De gestutte Stadsherberg op het Eiland rond 1958
De gestutte Stadsherberg op het Eiland rond 1958
In 1955 verscheen deel VIII van De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Het boek was uitgegeven door de Rijkscommissie voor de Monumentenbeschrijving en deze was weer onderdeel van de in 1949 opgerichte Voorlopige Monumentenraad. Deel VIII ging over West-Friesland, Tessel en Wieringen.

Van de 270 pagina's tekst gingen er een kleine tachtig over Enkhuizen. Het boek werd een soort voorlopige monumentenlijst. De schrijfster was Herma M.J. van der Berg (1918-2005). Naast de beschrijving van de monumenten uit de noordkop van Noord-Holland had zij ook De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst van Friesland beschreven.

Mejuffrouw Van der Berg was voor geen kleintje vervaard. Op haar Solex doorkruiste ze het noorden van Nederland. Als ze ergens een oud gebouw vermoedde, stapte ze erop af. Aan de eigenaren deelde ze mede hoe daarmee omgegaan diende te worden. Of dat nu een verblufte boer was, diep op het Friese platteland, of een stadsbestuur dat het woord monumentenbeleid nog moest uitvinden.

Deze eigenzinnigheid leverde haar bij de dienst monumentenzorg de bijnaam Hare Majesteit op. Van in- en tegenspraak moest zij dan ook niet veel hebben. In het jaar voordat 'haar' boek over West-Friesland uit- kwam -1954 - hield ze een voordracht voor Oud Enkhuizen. 'Het Woonhuis in Enkhuizen als Spiegel der Historie' was het onderwerp. Het was een lezing met lichtbeelden. Wan-der van Leeuwen assisteerde haar bij de bediening van het dia-apparaat.

Nauwkeurig

Haar monumentenbeschrijvingen zijn uiterst nauwkeurig, maar wel sterk vanuit een kunsthistorische invalshoek. Voor de latere bouwhistorici die ook over houtconstructies en metselverbanden schreven, had zij weinig sympathie. Ze schreef beknopt en zakelijk. 'Een eenvoudige gave ingezwengte halsgevel met houten inge-zwenkt fronton XVIIIB', staat er over het inderdaad eenvoudige geveltje van Westerstraat 5. Voor de beschrijving van het stadhuis heeft ze vijf en een halve pagina nodig, maar dat is dan ook een 'monumentaal' gebouw.

Over de stadsherberg schreef ze: 'de voormalige Stadsherberg is een zeer vervallen gebouw dat op een door bruggen met de buitenste strook vaste wal verbonden eiland is gelegen, buiten de wallen, bij de oude toegang van de stad van de zeezijde af. Het muurwerk is geheel gepleisterd; aan de zuidzijde geven oude jaartalankers het bouwjaar 1598 aan. De ingang aan die zijde is veel later, xviiib (= tweede helft achttiende eeuw, kk) omtimmerd. Inwendig zijn boven kelderruimten links de gelagkamer en rechts woonruimten aangebracht, alle sterk vertimmerd binnen de oude constructie met korbeels en muurstijlen.'

Het heeft het monument niet kunnen redden. In 1958 werd het gebouw gesloopt. Er werd wonderlijk genoeg weinig tegen geprotesteerd. Bouma, directeur van het Zuiderzeemuseum, heeft nog geprobeerd Oud Enkhuizen tot actie te bewegen. Maar het bestuur reageerde gelaten. Het is zeer desolaat en niet meer te restaureren, meende de voorzitter Piet Sybrandy.

Ybema liet geen enkele twijfel bestaan: het staat op geen enkele lijst, sloop is de enige uitweg, zei hij. Ook de Enkhuizer Courant protesteerde niet. 'Brok oud-Enkhuizen wordt gesloopt', kopte de krant op 25 februari 1958.

De vereniging Heemschut begreep het niet: „Het is ons niet duidelijk waarom deze, zo niet de oudste dan één der oudste herbergen van ons land, niet behouden kon blijven." Eerlijk gezegd begrijpen we het ruim vijftig jaar later nog steeds niet.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube