Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Zuiderzeemuseum bouwt botenhal

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Museumschepen in de oosterhaven rond 1950
Museumschepen in de oosterhaven rond 1950
De collectie houten schepen van het Zuiderzeemuseum had jarenlang in de Oosterhaven gelegen, toen in 1964 de botenhal gebouwd werd. Bouma, de eerste directeur van het museum, was al direct na de oorlog begonnen met het opsporen van allerlei scheepstypen die op het punt stonden te verdwijnen.

Niet iedereen was even enthousiast over Bouma's speurtocht naar oude vissersschepen. Gerard Stavenuiter, de onvermoeibare journalist van de (Nieuwe) Enkhuizer Courant schreef in een wat cynisch commentaar: Laat die Bouma maar eens in Duitsland kijken, daar moeten nog wel wat Nederlandse vissersschepen liggen. De oorlog lag bij 'Garrut' nog erg vers in het geheugen.

Het behoud van de historische schepen in de Oosterhaven was erg moeilijk gebleken. In de strenge winter van 1962-'63 was al een Wieringer Aak verloren gegaan. De schepen moesten op het droge. In november 1964 was vloer, eigenlijk een betonnen bak klaar. Een grote kraan, het gevaarte moest speciaal uit Breda komen, moest de klus klaren. Het was wel wat angstig, schreef de krant om zo'n zware kolos op de gammele kade te zien, maar gelukkig ging alles goed. De elf schepen, onder andere een Marker botter, een Wieringer aak, 25 ton woog dat schip, een Vollenhover bolletje, een snikke en een ansjovisjol, werden in één dag uit het water getild en op het droge gezet. Daarna werd de hal afgebouwd.

Het tekent de relatie tussen de gemeente en het museum dat de directeur Gemeentewerken, D. Ybema, het ontwerp geleverd had. De hal was zo hoog dat de schepen met mast en al geëxposeerd konden worden. Dat laatste was pas tijdens de bouw van de hal besloten, men was al bezig toen men besloot nog vier meter hoger te bouwen. Het zou toch een beetje zonde zijn om voor een kleine 4 ton een museumloods te bouwen om vervolgens van een aantal schepen de mast af te moeten zagen.

Maar het museum was nog niet af. Er was nu het Peperhuis, de Taveerne in de oude erwtenkamer, en de botenhal maar er ontbrak nog een ontvangstruimte. De gemeente Enkhuizen had een oplossing. Al jarenlang stonden er twee pakhuizen op het Waaigat te verkommeren. De vereniging Oud Enkhuizen had eindeloos met de eigenaar gesproken over restauratie maar tevergeefs. Uiteindelijk wilde hij wel verkopen, maar wie wilde de zeer vervallen panden hebben? De vereniging probeerde de gemeente zo ver te krijgen, maar die had er weinig oren naar. Pas toen de optie slopen en herbouw voor het museum reëel werd ging zij overstag. In 1961 kocht de gemeente de gebouwen.

Al met al was de bouw van het binnenmuseum moeizame weg. De gemeente Enkhuizen en de Enkhuizer bevolking wilden wel, maar het Rijk lag regelmatig dwars. Dat betekende dat de financiering weer eens stokte. Het opstarten van het Buitenmuseum duurde nog langer. Bouma was vol enthousiasme begonnen met het maken van plannen. Hij trok met zijn schetsboek door het Zuiderzeegebied om de karakteristiekste panden uit te zoeken. Na zijn vertrek heeft men dat lijstje in een diepe bureaula opgeborgen.

Niet alleen was het extreem duur, de gemeenten wilden hun mooiste huizen en andere gebouwen ook helemaal niet kwijt. Ook droomde Bouma van een echt vissersdorp, met echte bewoners als een soort levende museumstukken. "De woonhuizen zullen worden bewoond door de vissers en hun gezinnen, welke hun plaatselijke klederdrachten zullen blijven dragen", zo schreef hij in 1948. Dat idee heeft men maar niet uitgevoerd.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube