Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Jil en wil redden schaatser van bevriezingsdood

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Jil en wil redden schaatser van bevriezingsdood
Na lang wikken en wegen besloot de groep toch aan de Elfstedentocht mee te doen. Het was 17 januari 1963. 'Ze' waren Jil van der Horst, Q Langedijk, Jantje Langedijk, Henk Kraaij, Rein de Graaff en Joop Kaagman. Jil was met achttien jaar de jongste, de rest was in de twintig.

Eigenlijk mocht hij niet van zijn moeder, ze vond het Elfstedentocht-avontuur te gevaarlijk. Maar op je achttiende trok je je daar niet zo heel veel van aan. Joop Kaagman had een auto, een verlengde Citroen Sedan en daar kon de hele groep in. Om half vier 's middags waren ze in Leeuwarden aangekomen om zich in te schrijven. Jil had nog overwogen zich voor de wedstrijd op te geven, maar daar was het inmiddels te laat voor.

Een slaapplaats hadden ze niet. Maar de Friese organisatoren waren met een luidsprekerwagen de stad in gegaan om zo om logeergelegenheid voor de toerrijders te vragen. Massaal hadden de Leeuwarders gereageerd. Jil en Rein de Graaff belandden zodoende bij een volstrekt onbekende familie in huis. 's Ochtends vroeg werden ze door Joop Kaagman weer opgehaald. Om acht uur startten ze vanaf de Verlengde Schans.

Het was donker, koud en het ijs was bar slecht. Voordat Jil Sneek had bereikt was hij alle andere Enkhuizers al kwijt. Alleen op het Heegermeer meende hij in een flits Q Langedijk nog even te zien. Maar hij lag op dat moment in de sneeuw. Hij had gedacht een groep te passeren door van het smalle baantje af te wijken. Door de sneeuw had een scheur niet gezien. Met een klap was hij op het ijs beland. De klap was zo hard geweest dat hij even dacht dat hij nu toch wel van alles gebroken had.

In Staveren was hij met ene Wil uit Rotterdam opgereden. Ze hadden hetzelfde tempo en dezelfde slag. Wil was eind veertig en had al vier Elfstedenkruisjes. Ze zouden de hele dag bij elkaar blijven. Na de tocht zouden ze elkaar nooit meer zien. Jil had er nooit aan gedacht om naar Wil's achternaam te vragen. Achter hen werd de ene controlepost na de andere gesloten.

Het weer werd te slecht. Vooral na Franeker werd het voor de beide mannen zwaarder en zwaarder. Het begon steeds harder te waaien vanuit het noordoosten. Ze hadden dus wind tegen. Er lag zo'n twintig centimeter sneeuw en die begon te stuiven en het werd steen- en steenkoud. Er waren nog maar heel weinig andere toerrijders meer te zien in dat kale Friese land. In de buurt van Wier stond een man op het ijs de rijders te filmen, een helikopter stond op de wal. Jil realiseerde zich tot zijn stomme verbazing dat het Prins Bernhard was.

Een kilometer voor Bartlehiem zagen ze in de verte een zwart stipje, soms verdween het maar dan kwam het weer terug. Na een tijdje was het echt verdwenen. Toen ze dichterbij kwamen, lag er een schaatser in de sneeuw. 'Laat mij maar liggen', zei hij nog. Maar Jil en zijn kompaan voor één dag namen de schaatser tussen hen in, en trekkend en duwend hebben ze de uitgeputte man naar Bartlehiem gebracht en daar afgeleverd. Het was inmiddels al roetdonker geworden en er stond een complete sneeuwstorm. Tegen die storm in ging het van Bartlehiem naar Dokkum. Zelfs vijftig jaar later kon Jil het maar op één manier omschrijven: het was een hel geworden.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube