Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

De scherpe en humoristische pen van Prins Joris

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: door klaas koeman en paul gutter

Antonie Roodhuyzen (links) op het Binnenhof
Antonie Roodhuyzen (links) op het Binnenhof
Gevoel voor humor, een stem als een klok en een scherpe en vlotte pen. Geen wonder dat Antonie Roodhuyzen het van leraar in Enkhuizen tot Tweede Kamerlid en politiek hoofdredacteur van ’Het Vaderland’ schopte. Ondertussen bleef hij onder het pseudoniem Prins Joris ook voor de Enkhuizer Courant commentaren schrijven.

’Buitenpoorters’ kunnen soms een behoorlijke stempel op een stad drukken. Antonie Roodhuyzen (1859-1933) was er zo een. De geboren Amsterdammer kwam in 1884 naar Enkhuizen om hier les te geven aan de Hogere Burgerschool. Hij gaf geschiedenis, aardrijkskunde, Nederlands en klassieke talen.

Antonie Roodhuyzen
Antonie Roodhuyzen
Het duurde niet lang of Roodhuyzen ging zich ook op andere terreinen roeren. Hij werd medewerker van de Enkhuizer Courant en timmerde in de lokale politiek aan de weg. Het is tegenwoordig bijna niet meer voor te stellen, maar in dat televisieloze tijdperk stonden debatbijeenkomsten nog garant voor een avondje vertier. Ook het gewone volk kwam er massaal op af en Roodhuyzen ontpopte zich als een populair spreker.
Hij sloot zich aan bij de liberale kiesvereniging ’Stemrecht is Stemplicht’ en werd al gauw voorzitter. Van meet af aan bewoog hij zich op de linkervleugel. Hij was bijvoorbeeld voorstander van samenwerking met de eerste socialisten. Voor vele liberale en christelijke politici was dat vloeken in de kerk.

Een landelijke politieke carrière lonkte en in 1905 stopte Roodhuyzen met lesgeven. Voor het district Brielle zat hij van 1905 tot 1918 in de Tweede Kamer. Ook de journalistiek bleef trekken. In 1914 werd Roodhuyzen politiek hoofdredacteur van het liberale dagblad ’Het Vaderland’. Maar hij bleef met Enkhuizen verbonden. Nog jaren schreef hij zeer doorwrochte commentaren voor de Enkhuizer Courant. Vooral de antirevolutionair Abraham Kuyper was vaak het doelwit van zijn felle, maar ook humoristische aanvallen.

In de speciale bijlage voor de Zuiderzee Visserij Tentoonstelling in 1930  was Roodhuyzen eveneens van de partij. Hij had als Kamerlid nog net meegemaakt hoe minister Lely in 1918 zijn plannen indiende om de Zuiderzee droog te maken. Op 21 maart van dat jaar nam de Tweede Kamer het plan aan en op 13 juni zou de Eerste Kamer volgen.

Slachtoffers

’Lely’s dag’ noemt Roodhuyzen die 13e juni in zijn artikel voor de ZVT-bijlage. De droogmaking beschouwt hij als een groot goed. Maar hij ziet ook in dat er slachtoffers zijn, vooral de vissers. Hij maakt de vergelijking met de koetsiers op de diligences, die net als de vissers overbodig waren geworden.

Het harde vissersbestaan was dan wel geen ’rijkmakerij’ – Roodhuyzen memoreert wel het goede ansjovisjaar 1885, maar dat was een uitzondering – toch waren de vissers aan hun bedrijf gehecht. En van een zeeman maak je niet zo maar een landman. Met Lely pleitte Roodhuyzen ervoor dat jonge vissers omgeschoold zouden worden. De staat moest de ouderen een uitkering geven als zij geen ander werk konden vinden.

De vissers zelf beschouwden de drooglegging als onvermijdelijk en reageerden gelaten. Alleen de felle vishandelaar Eibert den Herder uit Harderwijk voerde onvermoeid actie tegen de Afsluitdijk. Hij voorzag rampen als die Afsluitdijk er zou komen. Niet alleen voor de vissers, maar voor heel Nederland. Het land zou ten onder gaan door enorme overstromingen.

De vissers kregen hoop als stormen en springvloeden het werk aan de dijk rond de Wieringermeer en de Afsluitdijk hinderden. Een aantal malen werden gedeeltes van de nieuwe dijklichamen weggeslagen. De vissers zagen dat natuurlijk en lachten in hun vuistje. Zij gingen heel wat respectvoller met de gevaarlijke Zuiderzee om dan die overmoedige ingenieurs van de Zuiderzeewerken. Uiteindelijk moesten ze toch met lede ogen toezien hoe de ingenieurs wonnen.

Voor hen een nachtmerrie, voor veel anderen een droom die vervulling ging. Niet voor niets citeerde Roodhuyzen in zijn ZVT-artikel een gedichtje van Nicolaas Beets uit 1839:

Groote plas, groote plas
’K wou dat je droog gemalen was,
Want je knabbelt alle jaren
Aan mijn weiland met je baren
En het kost mij heel wat geld
Om je perk te zien gesteld




Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube