Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Koppies van bruinvissen in het Krabbersgat

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Het Krabbersgat met de zeemuur omstreeks 1910.
Het Krabbersgat met de zeemuur omstreeks 1910.
In de jaren zeventig schreef Roel de Graaff zijn jeugdherinneringen op voor het personeelsblad van de Enkhuizer Banketfabriek. Hij was directeur van dat bedrijf geweest en inmiddels met pensioen. In zijn artikelen maakte hij een wandeling door Enkhuizen in het eerste decennium van de twintigste eeuw.

In de vorige aflevering liep hij van de Omgelegde Burgwal tot aan de Groene Wierdijk. In deze aflevering lopen we met hem langs de Zuiderzee. Op de Groene Wierdijk zien we aan de zeekant water, geen camping en geen Zuiderzeemuseum. De Graaff zal daar als kind veel gezwommen hebben. Het was er ondiep, ooit was daar zelfs een 'badinrichting' geweest.

Naar het westen kijkend zag je de villa Herfstzon en de tuin die daarbij hoorde. De bewoner, de heer Tamson, tekenleraar aan de HBS, had zelfs een apart atelier. Op het moment dat De Graaff zijn memoires schreef, was dat atelier de stal bij het hertenkamp geworden. Van een Prins Bernardlaan en Julianaplantsoen was nog geen sprake. De kleine Roel zwierf nog over de Bot- of Boslaan, hij speelde op de Boxewei, net ten zuiden van de begraafplaats, of hij liep over het Bonkenkerkhof naar de Plakkerweide.

Als je op de Plakkerweide (nu het Paludanushof) stond, keek je recht op het gebouw van de Betonning. De kans was groot dat de gasboot voor de kade lag. Ooit was hier de ingang van de Zuiderzee Visscherij Tentoonstelling en de grote landbouwtentoonstelling, de Boxeweide was het tentoonstellingsterrein. Je kon toen nog van de Oosterhaven, via een sluisje, de huidige Plantsoenvijver invaren. Aan het einde van de vijver kon je je boot met een rad, de overhaal, over de weg laten slepen en zo in polderwater komen. Het plein heet nog steeds het Rad.

Ziekenhuisje
Als je vanaf de Plakkersweide naar links keek, zag je de me-taalfabriek van De Bruin en de houtopslag van de Bogra. Het stukje groen tot aan de Zwaanstraat heette toen nog het Kleine Plantsoen. Er stonden (en staan) een theehuis en twee kleine huisjes met trapgeveltjes. In die twee huisjes was volgens De Graaff ooit een ziekenhuisje geweest, uiteraard voordat het Snouck van Loosenhuis in gebruik genomen werd.

De schrijver weet nog dat er op de Plakkersweide tuinen waren waar de firma Sluis en Groot koolzaad teelde. Later werd er een gasfabriek gebouwd, toen de fabriek op de Noorderhavendijk zijn tijd gehad had. Ook voor de speeltuin van Kindervreugd en de Enkhuizer Betonindustrie was er ruimte geweest. Tussen de Plakkerweide en het Peperhuis, ooit stond er het Oostindisch Huis, was een leeg veldje dat vissers gebruikten om hun netten te drogen. Het Peperhuis was nog pakhuis van de firma Sluis en Groot. Later zou dit bedrijf het oude gebouw aan het Zuiderzeemuseum schenken.

Roel de Graaff liep verder over de Wierdijk. Hier, ter hoogte van het huidige Zuiderzeemuseum, was nog geen muur. Het was een ideale speelplaats voor kinderen. Pootje baden, naar kleine visjes en krabbetjes zoeken; het kon hier allemaal.

Verder lopend herinnerde De Graaff zich dat hier twee loggers lagen, die uitgerust werden voor de haringvangst op de Noordzee. Het experiment mislukte en vanaf dat moment concentreerde Enkhuizen zich op de visserij op de Zuiderzee.

Op de plek van de huidige parkeerplaats van de Compagnieshaven was nog een stukje buitendijks land. Soms liep hier wat vee rond. Daarachter lag het Krabbersgat en de Zuiderzee. Vaak zag je in het Krabbersgat de koppies van de bruinvissen die daar zwommen. Voor Roel de Graaff was dat een dierbare jeugdherinnering.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube