Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

'Een best mins, al ken ze ok dierbaar vloeke'

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Een illustratie van Cor Druif bij een van zijn verhalen. De Strekdam in 1950.
Een illustratie van Cor Druif bij een van zijn verhalen. De Strekdam in 1950.
Vanaf februari 1979 tot augustus 1980 schreef Cor Druif een serie artikelen met als titel 'Nostalgische mijmeringen van het trappie' over zijn Enkhuizen in de jaren twintig. De serie illustreerde hij zelf.

„Als de tintelende diepe okergloed uit de vlammende avondzon doof en het glorierijk lichtgetoorts langzaam van de spitse huizekes weggeglipt is, droeft er gretig een grauwe kniezing over de smalle straatjes en de stem van de eenzame wind heeft er dan al-donkerder klank." Zo beschrijft Alie Smeding een avond in haar geboortestad.

Cor Druif beschrijft eenzelfde avond. „Maar wat een diepe melancholie kon er over je komen als de zomeravond gevallen was en er op 't 'oofd' een intense rust heerste. Je kon dan de laatste trein al stommelend en blazend horen naderen, 't gedempte rumoer bij de aankomst waarnemen. Er was wat gerucht van late reizigers en jij zat dat allemaal rustig aan te horen, want van verstoring was geen sprake. Al dat kalme geluid gaf aan de stilte nog diepte temeer. Maar als een glanspunt herinner je van zo'n avond dat nog weer na al dat gedempte gerucht er op 't water een rood toplicht je zichtbaar werd in het duister, het vage gestamp van de scheepsmotor steeds meer hoorbaar werd en de klipper tenslotte als een zwarte schim langs voer en na 't geklots van z'n golven op de stenen alweer zwoegend zijns weegs ging in 't Krabbersgat."

De toon van Alie Smeding is somber, bijna dreigend. Als lezer merkje dat ze bijna blij is
dat ze Enkhuizen de rug toegekeerd heeft. Als ze deze zinnen schrijft, het zijn de openingszinnen van 'Grillige schaduwen', woont ze al in Nieuwveen.

Bij Cor Druif weet je dat hij van deze avond in Enkhuizen genoten heeft. Een grotere tegenstelling tussen twee auteurs is bijna niet denkbaar.

Meindert Ienarm
Cor is in 1922 in Enkhuizen komen wonen. Hij was toen een jaar of veertien. Hij kon als leerling-schilder bij De Vries in de Waagstraat aan de gang. Thuis, in Hauwert, had de verzekeringsman Meindert Brouwer -oftewel Meindert Ienarm - zijn ouders getipt over deze mogelijkheid om hun zoon een vak te laten leren. In 1927 is hij naar Bovenkarspel vertrokken. Hij heeft de haringstad nog vele malen bezocht. Hij bleef ook nauw contact houden met De Vries, zijn vroegere baas. Hij hoorde bijna tot de familie.

Eerst kon hij in de kost bij zijn oom en tante in de Baansteeg, maar door gezinsuitbreiding moest hij daar weg. De vrouw van zijn baas zorgde voor een nieuw kosthuis. Hij kon terecht bij Wouter Thoman en zijn vrouw Heintje op Zuiderhavendijk 75. Moeder Heintje had als bijnaam Eintje van 't Trappie.

Het trappie was makkelijk te verklaren: Zuiderhavendijk 75 kende en kent inderdaad een verhoogde stoep. Eintje verklaarde ze zelf:, Ja zeun, ze noeme me oltied Eintje, maar 'k iet eigenlijk Enderinna mit 'n A d'r veur." Het Enkhuizer dialect had inderdaad een merkwaardige manier om met de begin-H om te gaan.

Cor schrijft liefdevol over moeder Eintje. Een hard werkende vrouw die ook nog het huishouden van haar dochter bestierde, met verschillende werkhuizen het gezinsinkomen aanvulde en haar man, visser, hielp met 'azen en spleten'. Ze hield haar jonge kostganger scherp in de gaten. Een knoop van een jas of hemd werd onmiddellijk opgemerkt en verholpen: , Ja zeun, m'n öge binne gien miggekontjes."

Maar ze kon ook goed kwaad worden. Eén keer was Cor zelf het doelwit. Dat hij met 'meisje' liep, was doodnormaal, maar waarom moest ze dat... van een ander horen? Ze zeiden het al van moeder Eintje: ,Het is een goed en best mins, al ken ze ok dierbaar vloeke."



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube