Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Bij harde wind 'stond je op je kop in de steenkool'

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Veerboten in de spoorhaven
Veerboten in de spoorhaven
Teake van der Schuit, kapitein op de veerboot R. van Hasselt tussen Enkhuizen en Stavoren, is zijn carrière letterlijk op een modderschuit begonnen. Zijn vader had een houten skütsje en vervoerde daar terpaarde mee.

De Friezen groeven hun terpen af omdat de aarde uit die terpen extra vruchtbaar was. Boeren op de zandgronden kochten dat graag. Maar de modderschipperij leverde niet veel op. Vaak was het armoede, soms was er zelfs geen eten in huis. Van doorleren na de lagere school was dan ook geen sprake.

Teake kon meteen aan het werk bij zijn vader, en soms verhuurde zijn vader hem aan andere schippers. Een keer, hij was toen 13, voer hij bij een zeer katholieke schipper. Als de wind goed stond moest ook deze schipper, na de kerkdienst, varen. Hij voer zijn tjalk dan alleen. Teake mocht dan, het was ten slotte zondag, totaal niets doen. Hij heeft nog eens het plan gehad om bij de Rotterdamse Scheepvaart Maatschappij te gaan solliciteren. Toen zijn vader daar achter kwam, was het snel over. Hij verbood het hem kortweg.

Hongeroproeren

Inmiddels was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken en ook de jonge Van der Schuit moest in dienst. Het lukte hem niet om bij de marine te komen, hij kwam bij de infanterie in
Amersfoort terecht. Na zijn opleiding werd hij in Amsterdam ingezet. Er waren hongeroproeren en het leger moest helpen de orde te handhaven. Hij maakte daadwerkelijk mee dat de bevolking een bakkerskar plunderde. 'Wegwezen', was het enige wat de, zeer verstandige, politieman zei die met de Friese soldaat mee op patrouille was.

Na de oorlog ging Teake weer bij zijn vader aan boord. Maar dat was van korte duur. Het skütsje van zijn vader was af. Eigenlijk kon er alleen nog maar turf mee gevaren worden. Met spijt in zijn hart verkocht de oude Van der Schuit zijn schip en Taeke kon op zoek naar ander werk.

In 1920 vond hij wat hij zocht. Een baan als matroos bij de veerdienst Enkhuizen-Stavoren. De eerste twee jaar was hij in de waldienst, kolenscheppen. De stoommachines van de veerboten en de ponten draaiden uiteraard op steenkool.

De twee veerboten kwamen wel drie keer in de week aan de kolensteiger: 120 ton steenkool, oftewel twee treinwagons moesten er dan weggeschept worden. Soms werd een wagon op een van de ponten al varend leeggeschept. Anderhalf uur hadden ze, dan meerden ze al af aan de overkant. Bij mooi weer ging het wel, maar bij harde wind 'stond je soms op je kop in de steenkool'.

Na een paar jaar werd hij jongste matroos op de R. van Hasselt, een van de twee veerschepen. De bemanning van het schip bestond uit 12 personen: de kapitein, de stuurman, vier matrozen, de conducteur, twee machinisten, een olieman en twee stokers. Teake genoot van het varen.

Hekgolf
Tientallen jaren later herinnerde hij zich nog de scholen bruinvissen die af en toe naast de boot zwommen, de enorme hekgolf die het schip trok als het over een ondiepte voer. Maar ook de stormen op de Zuiderzee. Het spookte soms zo erg dat de kapiteins en de stuurlui de grootste moeite hadden veilig de haven van Stavoren binnen te lopen.

Maar de jonge matroos had meer in zijn mars. Zijn 'zeevader' J. Muizelaar nam hem onder zijn hoede. 'Ik zal van deze jongen een stuurman maken', zei hij ooit. Hij beloofde daarmee niets te veel.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube