Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Stadsbank van Leening stond op een achterafje

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Kaasmarkt met zicht op Noorder Havendijk
Kaasmarkt met zicht op Noorder Havendijk
„Mijn gehele jeugd woonde ik in Enkhuizen en nu wil ik eens vertellen hoe het, omstreeks 1890, met een en ander gesteld was en wat er zo dagelijks gebeurde en te zien was." Zo begon de Alkmaarder J. Silver zijn herinneringen aan het Enkhuizen van zijn jeugd in het blad De Speelwagen uit 1951.

Hij had de kaasmarkt nog mee gemaakt. Van de eerste woensdag in april tot de laatste woensdag in december luidde om 11 uur de bel aan de Waag ten teken dat de kaasmarkt kon beginnen. Tot 14 uur konden de boeren hun stapels kaas aanbieden. Een twintigtal kaasdraagsters zorgden ervoor dat de kaas naar de Waag gebracht werd.

Veel kaas ging naar het Peperhuis, dat in die jaren als kaas-pakhuis in gebruik was, of naar het de schip de James Laming. Vooral de Oranjezaal profiteerde van de markt. Alle woensdagen zat 'de Zaal', zoals het café genoemd werd, vol met boeren en handelaren. De paarden stonden in de stallen van het café.
Uit een andere bron weten we dat in de tachtiger jaren er nog honderdduizenden kilo's kaas per jaar verkocht werd. Maar het aanbod zakte. In 1897 werd er nog maar een 80.000 kilo kaas verkocht. Er was ook nog maar één koopman. De kaasmarkt in Hoorn had de concurrentiestrijd met de Enkhuizer markt gewonnen.

Silver wist zich nog te herinneren dat als hij 's winters om 12 uur uit school kwam, de armen zich met een emmertje soep naar huis haastten. Deze zogenaamde soephaalders konden als de nood aan de man was, en dat was bijna elke winter wel het geval, in het Zeekantoor een emmertje warme soep krijgen.

'Soephuisje'
Het Zeekantoor stond tegenover de Westerkerk. Later timmerde men in het Zeekantoor de lokalen van de HBS. Toen werd de soep in het zogeheten 'soephuisje', op de hoek van de Koltermanstraat en de Wersterstraat, aan de armen uitgereikt. Daar stond zelfs een soort snelkookpan om de soep te bereiden. De Westerkerk zorgde voor het water: waterleiding was er uiteraard nog niet, maar er waren grote waterkelders bij de kerk om het water van het dak op te vangen.

De gemeente zorgde elk jaar voor een soepcommissie die deze vorm van armenzorg organiseerde. Op de Dijk stond vlak bij het Weeshuis een Diaconie Turfhuis, daar konden de armen een paar turfjes en wat roggebrood van de kerk krijgen. Vlakbij dat Diaconie Turfhuis was in de tuin van het Weeshuis, te bereiken via de Doelenstraat, de Stadsbank van Leening. Op een achterafje, zodat niet iedereen je zag als je wat moest belenen.

In hetzelfde straatje was de ingang van de katholieke kerk. Volgens Zilver was dit nog een restant van de periode dat de katholieke kerk officieel verboden was. Een katholieke begraafplaats was er ook nog niet, de katholieken begroeven hun doden in Bovenkarspel.

Elke vrijdagavond ging er nog een zeer ouderwets vervoersmiddel door de straten: een sleepkoetsje. Wouter Swier had er nog een en de oude juffrouw Sterken, ze was slecht ter been, maakte er gebruik van omdat het zo'n prettige lage instap had. Zij liet zich ermee naar de vergadering van de Regentessen van het Weeshuis brengen. Wouter Swier liep er dan naast om het paard te sturen. Zijn zoon had een stok met een dot vette lappen, waarmee hij de glijders glad hield. En dat was inderdaad een smeerlap.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube