Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

De zeilende dominee betreurt opkomende watersport

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

De zeilende dominee betreurt opkomende watersport
Met zijn ronde brilletje en zijn profetische baard moet dominee Meyer (1878-1956) een opvallende verschijning op de Friese wateren geweest zijn. Eerst zeilde hij met de Reid, een open zeilbootje dat hij zelf gebouwd had, en later met de Duodecimo, een kajuitzeiljachtje.

Hij was jarenlang dominee in het Friese Wijnaldum. In 1929 vertrok hij naar Enkhuizen, waar hij tot zijn emeritaat in 1943 op de kansels van de Wester- en de Zuiderkerk stond.

Ook als dominee viel hij op. Zo liep hij met de 1 mei optochten van de SDAP mee. Dat Meyer een vrijzinnige dominee was, dat wist men, maar een rooie? De Enkhuizer bevolking accepteerde het. Ten minste het vrijzinnig protestante gedeelte. De rest van de protestanten zocht zijn heil bij de wat orthodoxere voorgangers. Landelijk deed Meyer van zich spreken door zijn publicaties over kunst in de Blijde Wereld, een blad voor christen-socialisten.

Hij schreef ook over zijn geliefde zeilsport. In de jaren dertig verscheen er in de Waterkampioen een serie artikelen van zijn hand. 'Los maar...', noemde hij die artikelen waarin hij zowel vaaradviezen gaf als beschrijvingen van zijn tochten over de Friese meren.

Zeilen, schreef Meyer, brengt je rechtstreeks in contact met natuurkrachten, het appelleert aan het oerinstinct, een beetje zoals jagen of vissen. Met motorboten heeft hij niets. Een bakdekkruisertje, een populair type in de jaren dertig, noemde hij een drijvende serre, met, erger kan bijna niet, vitrage voor de ramen en een hang-plantje. Zo'n bootje heeft niet eens een helmstok maar een stuurradje en vaak hangen er ook nog stootkussens buitenboord. Voor de echte zeiler een gruwel.

Het was voor dominee Meyer ook de sport om zich zonder motor te redden. Het levert hem meewarige blikken en spottende opmerkingen op, maar dat deed hem niets. Lukte het zeilen niet, of moest je absoluut ergens op tijd zijn, dan kon je altijd om een sleepje vragen. Meyer besteedde er een er heel artikel aan. Na een ziekte overwoog hij de aanschaf van een buitenboordmotortje. Hij zag er toch maar van af. Wel liet hij een nieuw tuig voor de Du-odecomo maken. Dat zeilde ook een stuk makkelijker.

De dominee maakte het begin van het watertoerisme mee. Op de Friese meren werd gezeild met Draken, Regenbogen en BM'ers. De eerste watersporters zeilden van Staveren naar Enkhuizen, die tocht over het ITssel-meer heeft Meyer nooit aangedurfd. De eerste overlast is al merkbaar, hier en daar verschijnen bordjes met 'verboden aan te meren', omdat de watertoeristen de wallenkanten te zeer beschadigden.

In het hoogseizoen lagen de watersporters bij elkaar. „Konden ze gezellig naar eikaars radio luisteren", schreef hij afkeurend en binnen de kortste keren verschenen de ijscomannen in motorschuitjes. Meyer moest daar allemaal niets van hebben. Hij legde liever bij een eenzame boerderij aan.

Hij beschreef het verdwijnen van de zeilende vrachtvaart. Vol bewondering had hij naar de prachtige zeilende klippers en tjalken gekeken. Met droefheid zag hij fraai gelijnde schepen voorbijgaan, nu zonder masten en zwaarden, met een driftig tuffende motor.

Met respect schreef de dominee over een schipper die geen motor wilde. Met honderd vierkante meter tuig boven je hoofd lag je mooi vast op het water. Met zo'n motor lag je maar te stampen. Maar 'je moet wel', had de schipper berustend gezegd, om verder te varen met 140 ton haver voor Antwerpen.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube