Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Een hol, dat dienst doet als slaapvertrek

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

De dijk met achter de schepen de zogenaamde kraanhuisjes, van rond 1900.
De dijk met achter de schepen de zogenaamde kraanhuisjes, van rond 1900.
„De woning op het Eiland Deze is bewoond door man, vrouw en tien kinderen. Om deze woning te bezoeken moet men eerst een steile trap van plusminus dertig treden beklimmen. Doet men de deur open, dan staat men direct in een hol, hetwelk dienst doet voor slaapvertrek en waarin een bedstede voor drie jongens, waarvan twee volwassenen."

„Vlak voor de bedstede staat een ledikant waarin 3 meisjes slapen, waarvan er ook twee volwassen zijn. Door dat kamertje komt men in de huiskamer. Dwars door die huiskamer is nog een hok, waarvan de grootte 2 x 2 Meter bedraagt. Hierin staan een ledikant voor twee kinderen en een bedstede voor de ouders, plus een jongetje van 6 jaar, hetwelk tussen hun in-ligt. Verder is er een oude vervallen, niet beschoten zolder waarop een ledikant voor twee jongens staat. Indien het zwaar regent, stormt of bij vriezend weer, wordt een veldbed gemaakt in het eerder genoemd kamertje van 2x2 Meter."

„De drie woningen op den Dijk (de Kraanhuisjes): De gezinnen die daar in verblijven hebben respectievelijk 11,8 en 6 kinderen. Deze woningen hebben één kamer met slechts één bedstede en een keukentje."

„In het bovenhuis op de Dijk (de VierKroonen? KK) woont een echtpaar met 7 kinderen. Er is daar een kamer, twee bedsteden, en een klein hokje. Dat hokje is de keuken, toilet en washok. Er zijn te weinig slaapplaatsen, twee kinderen slapen bij de benedenburen."

Bovenstaande citaten zijn uit een rapport voor de gemeenteraad uit 1929 over de woningen van een aantal grote gezinnen in de stad.

Wethouder De Vos wilde het rapport alleen maar ter inzage leggen en niet publiceren, omdat de namen van de bewoners er in stonden. Een aantal raadsleden wantrouwde dit argument van de wethouder een beetje. Roodenburg, fractievoorzitter van de SDAP, kon dan ook niet nalaten om de wethouder te vragen om in het vervolg geen geüniformeerde hoofdagent in te schakelen, al was het maar om de huisnummers op te zoeken. Het baarde nogal opzien als een politieman eerst omstandig ging vragen waar die of die familie woonde om er vervolgens aan te kloppen.

Pas met de woningwet van 1901 kregen de gemeenten de mogelijkheid om de woonomstandigheden van de burgers te verbeteren. Men zag de noodzaak van ingrijpen ook in. De bestuurders realiseerden zich dat het optreden van (besmettelijke) volksziekten alles met de woonomstandigheden te maken hadden.

Om de wet uit te voeren, werden er Gezondheidscommissies opgericht, met deskundigen uit verschillende disciplines. De artsen Van der Lee, uit Enkhuizen, Canorij uit Bovenkarspel en Stueler uit Westwoud waren lid, net zoals de Enkhuizer apotheker J. de Wit, maar ook H. Gerrits, opzichter van de polder Het Grootslag, J. D. de Groot, opzichter van Het Snouck van Loosenpark en J. van Loo de directeur en bouwkundige van het Betonningsmagazijn. Verder maakte de notaris van Hoogkarspel en de godsdienstleraar van Terschelling deel uit van het gezelschap.

Zij hielden toezicht op Enkhuizen, de Streek, Venhuizen, Wijdenes en Schellinkhout maar ook op de woonomstandigheden op Urk, Vlieland en Terschelling. De leden werden benoemd door de commissaris van de Koningin, maar betaald door de gemeentes, dat leidde uiteraard tot regelmatig gemopper van de raadsleden. En om het belang van het werk van de commissie nog meer te benadrukken: elk lid moest op de eerste vergadering de eed afleggen. Er werd ook deftig vergaderd, in de raadszaal.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube