Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Orgeldraaien als broodwinning in de crisisjaren

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: paul gutter en klaas koeman

Orgeldraaien als broodwinning in de crisisjaren
Wie door de huidige kredietcrisis zijn baan verliest, kan terecht bij uitzendbureaus, het UWV en tal van andere instanties. Dat was in de jaren dertig van de vorige eeuw wel anders. Je kreeg wat steun, maar veel was dat niet. ’Henkuzers’ Auke Vellinga en zijn schoonzoon Gerrit Lubbers kozen eieren voor hun geld en schoolden zichzelf om. Tot orgeldraaiers.

Auke Vellinga en Gerrit Lubbers zijn allebei al enige tijd dood. Maar Gerrit’s zoon Auke Lubbers (71) kent nog veel mooie verhalen uit de tijd dat zijn opa, vader en moeder Hilda met het orgel langs de deuren gingen. “Voor de crisis werkte mijn opa bij de Enkhuizer Betonfabriek. Mijn vader was bouwvakker. Totdat ze dus allebei in de steun terechtkwamen.”

Steuntrekkers kregen 12 gulden per week. “Maar de huur voor een woning was al een rijksdaalder. Wat overbleef was te veel om dood te gaan, maar te weinig om van te leven.” Dat betekende dus armoe lijden of de handen op een andere manier uit de mouwen steken. “In Amsterdam verhuurde de firma Perlee draaiorgels. Er stonden er wel een stuk of honderd in een grote loods. Voor een paar gulden per week kon je zo’n ding huren. Dat leek vader en opa wel wat.”

Met ’De Vereniging’, het beurtschip van Klaas de Bruin, kwam het orgel naar Enkhuizen. De kersverse orgeldraaiers gingen meteen aan de slag. “Zes dagen per week werd er gelopen, waarvan een dag in Andijk en een dag door de Streek, richting Hoorn. Mijn moeder was invalide aan voet en hand, maar toch sjouwde ze altijd mee. Mijn oudere broer Joop en ik bleven dan thuis bij opoe”, vertelt Auke Lubbers.

Overal werd het drietal met open armen ontvangen. “Bijna niemand werkte, er zaten veel meer mensen thuis dan met de crisis nu. Vertier was er nauwelijks, dus men kwam naar buiten en danste op straat.” En hoe slecht iedereen het ook had, een kleinigheidje voor de orgelman kon er toch nog altijd wel vanaf.

In de beginperiode werd er met de hand gedraaid op een duwkar. De zaken gingen echter zo goed dat er al snel een wagen met paard kwam, en een motortje voor het draaiwiel. “Ze hadden ook een hulpje, Hendrik van Eunen. Hij mende het paard, maar op een dag sloeg het dier op hol. Gelukkig hield iemand langs de weg het paard tegen, maar toen had Hendrik het al in zijn broek gedaan.”
Het succes had ook een keerzijde. “Veel mensen kregen het idee dat het Vellinga en Lubbers wel wat erg goed voor de wind ging. Zij die voorheen een halve stuiver – in de volksmond een ’plak’ – gaven werden klanten van een cent. Toch waren de inkomsten in sommige weken wel het dubbele van de steun.”

Maar in de winters was het erg zwaar. “Soms lag er wel een halve meter sneeuw. Pekelwagens had je niet. Dan ging vader toch zijn klanten langs, met een grammofoon op een oude kinderwagen. Want er moest toch brood op de plank komen.”

Verschillende instrumenten passeerden de revue. “Door weer en wind werden de orgels vals, waardoor ze af en toe terug moesten naar Amsterdam. Dan kwam er een andere voor in de plaats.” Een daarvan was ’De Arabier’. Dit orgel werd later erg bekend dankzij de televisie.

In de oorlog stopten Auke, Gerrit en Hilda met orgeldraaien. “Het werd na een tijdje verboden door de Duitsers. Want ongemerkt werden er natuurlijk wel eens boekjes gedraaid die hen niet zo bevielen.”


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube