Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Enkhuizen als 'hoeksteen' van West-Friesland

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Vissersschepen in de Buitenhaven rond 1950.
Vissersschepen in de Buitenhaven rond 1950.
Op 30 juni 1950 promoveerde J. A. M. Visser op zijn proefschrift "Enkhuizen, hoeksteen van Westfriesland, een beschrijving van de typerende levensomstan-digheden in een oude Zuiderzeestad". Het proefschrift werd uitgegeven door de vereniging Oud Enkhuizen.

Visser was geen geboren Enkhuizer, maar hij was wel getrouwd met juffrouw Scholten, van de Timotheusschool. In het laatste hoofdstuk schetste de heer Visser een toekomst perspectief van de stad. In de bijlage "600 jaar stad" van de Enkhuizer Courant, augustus 1955, schreef hij een artikel met dezelfde strekking. Er was in die vijf jaar kennelijk nog niet veel veranderd.

Bepalend voor Enkhuizen waren een aantal plannen en ontwikkelingen. Bijvoorbeeld de komst van een tunnel onder het IJ. Zou die tunnel er komen, dan zou niet alleen Enkhuizen maar heel West-Friesland van zijn isolement verlost zijn.

Visser verwachtte ook veel van de aanleg van de Zuid-West polder, later de Markerwaard genoemd. Daar zouden grote tuinbouwbedrijven zich vestigen. Misschien een concurrent voor de kleine bouwbedrijf]es. In de polder het Grootslag, maar het zou wel werkgelegenheid opleveren. Maar misschien was er nog een voordeel. Enkhuizen zou een snellere auto-en misschien zelfs treinverbinding, met Amsterdam kunnen krijgen. Een bos in de noordpunt van de polder zou het toerisme kunnen bevorderen.

Natuurlijk gingen de inpolderingen ten koste van de IJsselmeervisserij. Maar dat was door overbevissing toch een aflopende zaak. Trouwens, de Enkhuizer vissers visten in het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer.

Oostelijk West-Friesland, en dus ook Enkhuizen, gold officieel als een achterstandsgebied. Visser verwachtte veel van het nieuwe regeringsbeleid om juist in dat soort gebieden extra te investeren. Hij benadrukte dat er al voor de oorlog een Enkhuizer industrie was geweest. De crisis had hard toegeslagen, maar die industrie had zich zeker na de oorlog redelijk hersteld. Een verdere industriële groei was mogelijk als de gemeente maar een besluit nam over de vestiging van een bedrijventerrein. Het stuk land tussen de spoorbaan en de provinciale weg was, verkeerstechnisch, het meest geschikt.

Het leek wel of Enkhuizen helemaal geen haast had met het aantrekken van nieuwe industrie. Visser geeft een aantal verklaringen. De woningnood was hoog, structureel was er een tekort van 300 woningen. Een uitbreidingsplan was er nog niet. Een nieuwbouwwijk ten noorden van de stad bleek nog lastig: Dat zou het prachtige uitzicht vanaf de Vest aantasten.

Ook politiek lag industrialisatie lastig. Rechts (lees confessioneel) vreesde een toename van linkse (lees niet-confessionele) kiezers. En, betoogde Visser, de Enkhuizer hield er ook niet van voor bazen te werken. Ze waren, zoals de meeste Westfriezen, nogal individualistisch.
Natuurlijk leverde de tuinbouw nog veel werkgelegenheid op. Een kwart van de beroepsbevolking was direct of indirect met die bedrijfstak verbonden. Maar veel uitbreiding zat er niet in.

Echte groei verwachtte Visser van het toerisme. Op het verkleinde IJsselmeer zou meer watersport mogelijk zijn. Het bos in de Zuid Westpolder, maar vooral het Zuiderzeemuseum, zou een geweldige trekker kunnen worden. Maar dan moest er wel snel een buitenmuseum komen. Zo'n buitenmuseum zou zelfs fabrikanten en geldmagnaten trekken. En die had de stad erg hard nodig.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube