Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Hein de Bruin (1899-1947) zocht naar erkenning

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Hein de Bruin
Hein de Bruin
Het stadje slinkt, de rode daken slinken, Al dieper in de Haren: "t ligt te Hinken, Als een ijl-zwevend eiland in de zon. (uit: Over de Zuiderzee). Zo beschreef de dichter Hein de Bruin het Enkhuizen waar hij opgegroeid was.

Hij herinnerde zich nog de ontmoeting met de schilder Tholen die vaak in Enkhuizen te vinden was:
's Namiddags zwervende in drukke pret
Schooljongens die liefst rond de haven dolen
Ontdekten wij hem soms, ietwat verscholen
Gedoken op zijn lage taboeret (uit: W. B. Tholen (1860 -1931)

Hein de Bruin werd niet in Enkhuizen geboren, maar in IJlst. Toen hij vier jaar was, verhuisden zijn ouders naar de Haringstad. Ze begonnen een boek- en sigarenwinkeltje aan de Driebanen. Hein kon goed leren, hij wilde naar de Kweekschool. Maar zijn vader vond dat er geen toekomst in het onderwijs zat.

Hij moest maar naar de bouw. Dat mislukte en Hein belandde óp het kantoor van Sluis en Groot. Daar raakt hij bevriend met Han van der Leek, iemand met dezelfde culturele belangstelling. Ze besloten Duits te gaan studeren.

In 1920 verhuisde Hein de Bruin naar Amsterdam. Overdag werkte hij bij de Incasso Bank, 's avonds studeerde hij MO Duits. Hij trouwde met Trijntje Ney uit Enkhuizen. Ze zouden zes dochters krijgen.
Jammer genoeg mislukt zijn studie Duits. Hij had daar heel veel moeite mee en raakte zelfs overspannen. In die periode begon hij te schrijven. Eerst columns in verschillende protestante literaire bladen, later poëzie en proza.

In 1932 verscheen zijn eerste gedichten bundel: "Het Ingekimde Land", twee jaar later kwam zijn eerste roman "Wat Blijft" uit. Ook vertaalde hij "Great Expectations" van Charles Dickens, sonnetten van Shakespeare, en "De grote scheiding" van C.S. Lewis.

Door die literaire activiteiten raakte hij, via zijn jeugdvriend Han van der Leek, bevriend met de groep protestante schrijvers van het blad "Opwaartsche Wegen". Belangrijke medewerkers van het blad waren onder andere Willem de Mérode, Gerrit Achterberg en H. M. van Randwijk. Een groep orthodoxe schrijvers, onder andere Willem de Mérode, zou zich later afsplitsen. Na enige aarzeling bleef Hein bij de wat vrijzinnige leden van de groep. Hij zou zelfs redacteur van het blad worden.

In 1926 werd ds. Geelkerken op een synode in Assen veroordeeld omdat hij vond dat het paradijsverhaal, en met name het gedeelte over de sprekende slang, eerder symbolisch dan letterlijk begrepen moest worden. De gereformeerde kerk scheurde.

Orthodox
De gelovigen onder Ds. Geelkerken gingen verder als de "Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband". Na de oorlog zou deze kerk zich bij de Hervormde kerk aansluiten. Hein de Bruin, orthodox opgevoed, sloot zich bij de HV'ers aan. Hij leerde daar onder ander ds. Buskes kennen.

Na de oorlog raakte hij in een diepe depressie. Hij moest zelfs in de Valerius kliniek opgeno-
men worden. Ds. Buskes had in die tijd veel contact met Hein de Bruin. Hij schreef later dat Hein "het oude geloof van zijn vaderen trouw gebleven is, terwijl hij ook bijna stikte in de sfeer van dat geloof".
Hein kon niet loskomen van zijn opdringerige, autoritaire en kleinburgerlijke vader. Ook leed hij aan een gebrek aan erkenning buiten de kleine kring van protestante schrijvers.

Hoe het ook zij, in 1947, enkele dagen na zijn ontslag uit de kliniek, pleegde Hein de Bruin zelfmoord.
In één van zijn gedichten schreef hij:
"Hij weet zijn eigen duisternis niet meer te onderscheiden van de aardse nacht".
(uit: Nocturne).


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube