Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Het verzet als staat in een staat

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

IJsfabriek Vette Knol
IJsfabriek Vette Knol
In de loop van 1944 was het verzet bijna een staat in een staat geworden. De LO (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers) zorgde voor de onderduikers. Tijdens zogenaamde 'beurzen', regionale vergaderingen, regelde men welke groep welke onderduikers onder zijn hoede zou nemen.

Knokploegen, de KP's, zorgden voor voedsel, distributiebonnen en al het andere wat nodig was. Deze groepen voerden overvallen uit op distributiekantoren en gemeentehuizen. De KP's waren bewapend, eerst nog met een enkel gestolen Duits pistool of het wapen van een politieman. Later werden ze vanuit Engeland bevoorraad. Honderden containers aan parachutes, gevuld met wapens en voorraden, landden in de verschillende droppingzones in West Friesland en de Wieringermeer.
Ondertussen werd een verbeten strijd met de Duitsers gevoerd. De gemiddelde Duitse soldaat had één doel: overleven. Ortskommandant in Enkhuizen Pruis was daarvan een voorbeeld. Maar het verzet had ook te maken met fanatieke SD'ers en SS'ers; ook berucht waren de Nederlandse Landwachters. Door hun optreden moesten vele verzetsmensen hun activiteiten met de dood bekopen.
Vanaf juni 1944 was Arie (Flip) Fluitman de leider van de KP, die in heel oostelijk West-Friesland opereerde. Het werd voor de KP's steeds urgenter om aan bonkaarten en eten te komen voor de vele onderduikers. Na de Slag om Arnhem staakten de Nederlandse Spoorwegen. En de Duitsers verboden, als represaille, alle voedseltransporten naar west-Nederland. Door het gemeentehuis van Venhuizen te overvallen veroverde men een enorme voorraad bonnen. Ook kreeg men de voedseldepots van de Wehrmacht in het vizier: de zuivelfabrieken in Twisk, Binnenwijzend en Wervershoof en de ijsfabriek in Enkhuizen.
In de nacht van 18 op 19 november was de ijsfabriek van Enkhuizen aan de beurt om leeg gehaald te worden. Twee grote polderschuiten hadden de mannen van de KP nodig om al het voedsel te vervoeren. Tientallen vaten boter, meer dan 1.000 kg, honderden worsten, 25.000 eieren en 700 kg ingevroren vlees konden verdeeld worden onder de onderduikers en hun 'gastgezinnen'.

Aanplakbiljetten
De anders zo gematigde Ortskommandant Pruis reageerde nu uiterst fel. Burgemeester Broere liet aanplakbiljetten verschijnen waarin met harde straffen gedreigd werd. Wat die inhielden wist de bevolking maar al te goed. Willekeurige burgers zouden opgepakt en geëxecuteerd worden. Maar Pruis en Broere gaven de bevolking een uitweg. Als men er voor zorgde dat de buit weer terugkwam of als men 25.000 gulden betaalde, zouden de gevolgen beperkt blijven. De 25 mille werd razendsnel ingezameld.
In de illegale 'de Klaroen der Bevrijding' ergerde men zich daaraan: "men zag mensen zo een tientje betalen, terwijl dezelfde 'helden' aan een colporteur voor onderduikers nog geen stuiver betaald had". Veel Enkhuizers vonden de overval op het ijspakhuis uiterst onverantwoordelijk. Men was bang voor Duitse represailles.
Na de oorlog, op 9 juni 1945, stond er een advertentie in de Enkhuizer Courant. Het comité dat verantwoordelijk was voor de inzameling van het geld had op een of andere manier tachtig procent van het geld uit handen van de Duitsers weten te houden. Ze stelden voor het geld aan een fonds voor oorlogsslachtoffers te schenken. Maar je kon ook een deel terug krijgen. Hoeveel Enkhuizers hun geld terug gevraagd hebben weten we niet.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube