Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Monumentenliefde redt die 'sta in de weg'

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Met een woedend artikel in De Gids van november 1883, 'Holland op zijn Smalst', maakte Victor de Stuers -grondlegger van onder andere het Rijksmuseum - zijn tijdgenoten bewust van de waarde van het Nederlandse cultuurgoed.

Zijn woede was onder meer opgewekt doordat hij in het Engelse Victoria- en Albertmu-seum het prachtige oxaal uit de St Janskathedraal in Den Bosch ontdekte. Het kerkbestuur had het fraaie stenen 'koorhek' aan het museum verkocht.

Vooral op plaatselijk niveau stuitten zijn ideeën op een muur van onbegrip. Zo was Hoorn er bijvoorbeeld trots op dat de wallen en de stadspoorten gesloopt waren. Het gold als een teken van vooruitgang. Ook de Oosterpoort moest opgeruimd worden, maar daar woonde nog iemand. Toen men in 1874 daadwerkelijk tot sloop wilde overgaan, greep Den Haag in.
Ook Enkhuizen wilde mee in de vaart der volkeren. In 1876 werd er in de raad fel gediscussieerd over de Koepoort en de Westertoren. Beide verkeerden in een slechte staat. Pas na anderhalf jaar discussiëren, besloot men de gebouwen maar te laten staan. Progressieve liberalen keken jaloers naar Hoorn, waar men het 'korset' van stadswallen en -poorten al lang had afgelegd.

In 1907 werd het prachtige zeventiendë-eeuwse Weeshuis gesloopt om er nieuwbouw voor in de plaats te zetten. Er was niemand die protesteerde. Alleen de inrichting van de regentenkamer, met het oorspronkelijke goudleerbehang, zou nog een klein beetje aan de vroegere glorie van het weeshuis kunnen herinneren.

Zou kunnen, want het goudleerbehang ligt nu in grote dozen op de zolder van Openbare Werken, en de regentenkamer heeft tegenwoordig een bizarre kleur behang.

Ondertussen had zich een groep architecten geformeerd die grote waardering had voor de ideeën van Victor de Stuers. Hun genootschap Architectura et Amicitia gaf een blad uit, 'De Opmerker'. In de redactie zat onder andere Posthumus Mei-jjes, de architect van het Snouck van Loosenpark en het Snouck van Loosenziekenhuis.

Een andere redacteur van 'De Opmerker', de, architect Weissman, trok regelmatig het land in om te schrijven over de nog onbekende cultuurhistorische schatten die hij aantrof. In 'De Opmerker' van 7 juni 1884 doet hij verslag van zijn reis naar Enkhuizen. Dat kon omdat de stad per trein bereikbaar was. Tenminste, tot aan Hoorn. Daarna moest hij verder met een stoomtrammetje. Tot zijn verbazing moest hij daar al snel uit. De conducteur verklaarde dat er verder met de paardentram gereisd moest worden. De verschillende dorpsbesturen hadden de weg door hun dorpen te smal gevonden voor een stoomtram. Gelukkig was de reis verder zonder onderbrekin-
gen verlopen.

Bewonderend had Weissman door Enkhuizen gelopen. De gevel van het Weeshuis, met het jaartal 1615, was de mooiste geweest. Hij had er spijt van dat hij De Waag niet eerder had gezien. Hij zou het gebouw zeker genoemd hebben in zijn artikel over de vroege renaissance.

De Enkhuizer Courant nam zijn artikel over en schreef over Weissmans opmerkingen over de Koepoort: „Overal elders is men tot het juiste inzicht gekomen dat zulke dingen niet meer van onze tijd zijn. Hij (Weissman) is gestijfd in zijn dwaling dat de sta-in-de-weg met zijn smerig uiterlijk, alleen om zijn 'dorische vormen en zijn sierlijk koepeltje' dient te worden onderhouden."
De journalist had 'Holland op zijn Smalst' kennelijk nog niet gelezen.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube