Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Anjo-baby Dolly bleef in Enkhuizen

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Cor Westerveld

Dolly als peuter op de Melkmarkt
Dolly als peuter op de Melkmarkt
Mevrouw G. Wijsmuller-Meyer heeft in de oorlogstijd het leven van duizenden kinderen gered. De meeste daarvan waren joodse kinderen. In maart 1945 was zij aan boord van de Groninger vrachtboot 'Anjo'. In het ruim lagen op wat stro honderd uitgehongerde Amsterdamse baby's. De jongste nauwelijks veertien dagen oud, de oudste misschien een jaar, maar het door de honger perkamentachtig getrokken gezichtje zou doen vermoeden dat ook dit een kind van slechts enkele weken oud was.

Tante Truus - gehard in haar jarenlange strijd om het kind in verdrukking en ontbering - klemde de lippen op elkaar. Tientallen keren had zijn de armen uitgestrekt en van radeloze en snikkende moeders, grootmoeders of tantes op de steigers van ’Van Es en Van Ommeren’ aan de Amsterdamse Ruyterkade een bundeltje aangepakt en dat gelegd in de licht-wiegende reuzenkribbe. Een extra luier, een hemdje, verfrommeld tot een pakje, was met een touwtje of een lintje aan een armpje gebonden, maar ook een kaartje, waarop een naam, een adres, een geboortedatum stond. Bijna alle kaartjes vermeldden: geboren in het begin van 1945.

Hartverscheurend

De moeders hadden hun borelingen afgegeven voor een tocht naar het noorden, waar voedsel was; aardappelen, spek, bonen en melk, vooral melk. Met lege handen en lege harten liepen ze apathisch over de kade. Met een zacht lijntje werden ze van de steiger geloodst. Hartverscheurende taferelen hebben zich afgespeeld op de kade. Huilende moeders die  daar hun hongerende kind in de ruige armen legden van een schipper, niet wetend of ze het ooit nog zouden terugzien...

De avond viel, de verstilde haven met haar kranen als lugubere grijparmen, als gretige klauwen van de dood, vormde de laatste aanblik. Er moest in sleep en in duister worden gevaren over het IJsselmeer, naar Friesland en Groningen, waar de barmhartigheid wachtte...

De Anjo vertrok op een mistige koude avond vanuit Amsterdam naar Lemmer met honderd uitgemergelde baby’s aan boord. De Anjo lag achter de sleper, haar korte kielzog, op weg naar de Oranjesluizen, was als een spoor van leed. Bij het schutten huilden enkele kinderen maar heel zachtjes. Er was niet één zuigfles met ondermelk aan boord. Niet één fles voor honderd mondjes, die amper of niet meer konden zuigen. Het was een donderdagavond in maart, die evenals de dag, die zou volgen, diep gegrift werd in het hart van de weinige volwassenen aan boord van de vijf verduisterde schepen, - de overige vier met grotere kinderen – op weg naar het land van belofte. Een uitzonderlijk kindertransport was begonnen, een van die vele hongervaarten over het IJsselmeer, die mensen in de kracht van hun leven grijs haar heeft bezorgd. Schipper Polman stond in zijn stuurhut met een brok in de keel. De nacht zou hopelijk zijn broze lading beschermen tegen het gevaar van vliegtuigen. Ze ronkten hoog in de lucht, als bizarre nachtvlinders. Een dikke wattendeken legde zich ter zijde van Marken over de binnenzee. Ogenschijnlijk als een waas van mededogen, maar verraderlijk en onheilspellend in haar geruisloosheid. Jachtschipper Bouke van Wijk  - zestien hongervaarten in de nacht! – wist dat de Lekerhoek op komst was. De oversteek naar Staveren was ondenkbaar. Ze moesten op het Krabbersgat aankoersen en Enkhuizen binnenlopen dat enige uren tevoren, aan zijn havenkant gebombardeerd was. Maar wie wist dat?

Luiers

Bouke van Wijk ging door met teilen vol zeewater te scheppen; zo goed en zo kwaad ging men door met luiers wassen. De deinende scheepskribbe zette koers naar de havenhoofden van Enkhuizen, dat geen Drommedaris meer scheen te bezitten, maar dat achter de dijk moest liggen, dromend van zijn vergane voorspoed. Die vrijdagmorgen ankerden de Anjo en de andere schepen, die later wel zouden oversteken, bij de Afslag. Mevrouw Wijsmuller werd altijd opgebeld als een schip de plaats van bestemming had bereikt, maar van de Anjo hoorde ze echter niets. Ze stierf duizend doden en haalde zich de meest waanzinnige gedachten in het hoofd. Was het schip gezonken of dreef het ergens op het IJsselmeer rond? Toen zij hoorde dat het schip Enkhuizen was binnengelopen, is zij er meteen naar toe gereisd om te kijken hoe het met de kinderen ging.

Grote stoere Enkhuizer vrouwen versperden de toegang naar de haven voor iedereen die er niets te zoeken had. De Enkhuizer huisarts B. van der Heide was onmiddellijk nadat het schip was binnengelopen aan boord gegaan van de Anjo. Vreselijk geschrokken besefte hij dat de meeste baby’s in deze mensonterende omstandigheden de volgende dag niet zouden halen. Hij liet onmiddellijk stadsomroeper Karel Buis (’de Kat’) alarmeren, die meteen op pad ging met zijn bel. Ruim drieëneenhalf uur liep Karel door de straten van Enkhuizen. Hij riep de hele tijd: “In de haven ligt een schip met baby’s, kinderen die verhongeren. Een schip uit Amsterdam. Wie en baby wil hebben, ga naar de haven... Dekens meenemen.”

Uit vrijwel alle huizen kwamen vrouwen die zich met dekens naar de haven spoedden. Voor een kindje kwam de hulp te laat, het stief door honger en uitputting.

Theelepeltjes

Na de oorlog werden vrijwel alle kinderen weer door hun ouders opgehaald. Een bleef echter in Enkhuizen. Het was Dolly, het zwakste kindje  van het hele transport. Het paar maanden oude kind werd opgenomen in het gezin Loots in de boerderij aan De Drie Zalmen.  Het zieke baby’tje, dat leed aan een ernstige vorm van hongeroedeem, kreeg theelepeltjes water, waar een derde deel melk door heen gemengd was. Dolly leek het niet te zullen halen. Maar dankzij het doorzettingsvermogen en de liefde van de Enkhuizer pleegouders bleef Dolly in leven. Als enige werd zij na de oorlog niet door haar ouders opgehaald. Ze bleef wonen bij de familie Loots. Twaalf jaar later vertelden haar pleegouders dat zij niet hun echte kind was. Slechts eenmaal is Dolly met haar echte ouders geconfronteerd. Dat was toen zij ging trouwen. Aangezien ze nog minderjarig was, moest ze toestemming hebben van haar officiële ouders. Dezen waren echter uit elkaar gegaan en dientengevolge moeilijk op te sporen. De gemeente Enkhuizen zette zich er voor in, en vond ze. Dolly’s echte vader stemde in met het huwelijk, maar  haar moeder wilde niet tekenen. Na veel heen en weer gepraat gaf zij uiteindelijk  toch toestemming.  De burgemeester van Enkhuizen stuurde een ijlbode naar Amsterdam om de toestemming te halen.

Dolly Loots trouwde met Bartholdus Over de Linden. Mevrouw Wijsmuller, eens de beschermengel van die honderd kleine, uitgeteerde schepelingen,  hield de huwelijkstoespraak, die normaal wordt uitgesproken door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zij overhandigde de bruid als bruidsgeschenk het boekje ’Geen tijd voor tranen’.  En met deze aanbieding, zo sprak mevrouw Wijsmuller, wil ik de gehele burgerij van Enkhuizen eren en danken voor wat zij deed voor de in nood verkerende Anjo-baby’s.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube