Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Goudzoekers langs het spoor en een kale Vest

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Pieter Jan de Vries

De Vest
De Vest
In de oorlogswinter van 1944/45 leden alle burgers honger en had iedereen het koud. Er was geen gas, geen elektriciteit. Uit de kraan kwam af en toe een dun straaltje water. Overal stonden emmers klaar om dat kostbare vocht op te vangen, want meestal hield dat straaltje na een korte tijd weer op.

De winkels waren leeg. Als er al eens iets in de etalage lag, dan stond er een bordje bij met ‘Ruilen voor…’.  En die ruilvraag kon van alles zijn, als het maar eetbaar was. Eieren, boter, graan, aardappelen en meer van die zeldzame producten. Wat ook erg gemist werd, was brandstof. De treinen reden al lang niet meer en kolen moesten uit Limburg komen. En Limburg lag in het al bevrijde gebied.

Iemand moet ontdekt hebben dat de paden langs de spoorlijnen nog veel deeltjes cokes bevatten. Het waren eigenlijk sintelpaden. En sintels, de restanten van de vuurhaarden van de stoomlocomotieven, zaten vaak nog vol met veel kleine stukjes redelijk brandbaar materiaal. De paden werden geleidelijk aan uitgegraven en gezeefd. Maar als in de Hongerwinter een zeldzame locomotief op het rangeerterrein de ‘asla’ leegde, kwamen overal uit de buurt mensen met zeefjes en zakken te voorschijn. En dan leek het of er een zwerm goudzoekers op her emplacement neerdaalde.

Maar de meest voor de hand liggende brandstof was hout. En dat kwam op veel plaatsen voor. Hele wegen hadden lange rijen met bomen. De eerste kap vond nog langs de buitenwegen plaats, maar de houthakkers werden brutaler en de bomen in de binnenstad dreigden ook slachtoffer te worden. Met de grootste moeite kon het personeel van het Snouck van Loosenpark en de medewerkers van de plantsoenendienst hun monumentale bomen van de ondergang redden. Maar toen de eerste iep langs de Vest viel, was er geen houden meer aan. En daar stonden oude bomen, die nog stamden uit een tijd nadat de vestingwet in 1874 vervallen werd verklaard en beplanting van de vestingwallen in de mode was gekomen.

Mijn vader was onderwijzer en niet gebouwd voor zwaar lichamelijk werk. Hij had wel veel tijd, want zijn school was gesloten. Zijn beste vriend was commies bij de belastingen en evenmin getraind in spierarbeid. Maar hij had wel iets begerenswaardigs. Hoe hij eraan kwam, is niet meer te achterhalen, maar in zijn schuur stond een trekzaag. En dat was een noodzakelijk apparaat voor bomenzagers.

De mannen togen met de zaag naar de vesting. Bij de weg voorbij de wachterwoning – die nu van de overweg naar Renolit en Alkor Draka loopt – vonden ze een naar hun idee geschikte boom en ze zetten de zaag in de stam.. Het werd een voorspelbare mislukking. Probeer maar eens een iep met een middellijn van vijftig centimeter en een geweldige kruin met een oude, niet erg scherpe zaag te vellen. Maar er kwam redding. Twee andere buurtgenoten waren ook op weg gegaan, zonder zaag maar mét spieren. De een was spoorwegman en de ander aannemer. Ze hadden gedacht samen wel iets te kunnen regelen. Kennelijk straalde de onmacht van de zagende ambtenaren af, want het nieuwe tweetal bood al gauw aan ook eens de zaag uit te proberen. En dat gaf een aanzienlijk beter resultaat. De vier mannen besloten samen te werken. Tenslotte moest de boom niet alleen om, maar het hout moest ook nog vervoerd worden. En er was genoeg voor vier gezinnen. Daar kwam nog bij dat ik, 14 jaar oud ook ingezet kon worden, samen met de zoon van de aannemer die even oud was als ik.

Een goede taakverdeling ontstond vanzelf. De sterke mannen deden het grove zaagwerk, de ambtenaren werkten de stukken af voor transport en de jongens sleepten over de spoorlijn en over het ijs het hout naar de werkplaats van de aannemer, achter een pand in de Klopperstraat. Daar moest alles tot gebruiksklare stukken worden gezaagd en gehakt, en dat werd tenslotte weer de taak van mijn vader en zijn vriend.

Schrikken was het even toen op het werkterrein van de aannemer een persoon verscheen die zich uitgaf voor een ambtenaar van de Economische Controledienst. Zo’n functie had al iets verdachts, maar toen de man meedeelde dat er een beschuldiging was binnengekomen over zwarte handel in brandstoffen kwam dat helemaal hard aan. Zeker bij mijn vader die zelfs nog nooit was bekeurd voor een kapot achterlichtje. De controlerend ambtenaar moet al gauw gezien hebben dat hier alleen voor eigen vrouw en kinderen werd gewerkt, want gevolgen heeft dit ‘economisch delict’ nooit gehad.

Niet veel later was de vesting vanaf de Zuider- tot de Noorderdijk kaal.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube