Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Naoorlogs Enkhuizen kampte met grote woningnood

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Nieuwbouw aan de Oranjestraat
Nieuwbouw aan de Oranjestraat
Alle vier hoofdrolspelers uit de vooroorlogse Enkhuizer politiek kwamen na de oorlog weer terug. Aan hun onderlinge verhoudingen was weinig veranderd. Ze hadden voor de oorlog ruzie en ze gingen daar na de oorlog mee door. Ondertussen kampten zij met veel naoorlogse problemen, zoals de grote woningnood in de stad.

Piet Rodenburg was ondernemer, hij had de sigarenfabriek West-Frisia en hij was socialist. Chris Roosendaal had een groot weg- en waterbouwbedrijf, hij was links-liberaal. In 1946 sloot hij zich aan bij de nieuwe PvdA. Jan Kofman was in de toenmalige terminologie "rechts" , dat wil zeggen hij was confessioneel en lid van de CHU. Zijn, bijna natuurlijke, bondgenoot was burgemeester Haspels en die was lid van de ARP. In 1949 vertrok deze naar Bussum. Hij werd opgevolgd door burgemeester Admiraal uit Zaandam, ook van de ARP. Hoe er over die keuze gedacht werd, maakte de PvdA'er Bakekr duidelik in de eerste zin van zijn rede ter verwelkoming van de nieuwe burgemeester. Uiteraard was de nieuwe burgemeester van harte welkom, maar eigenlijk hoorde hij hier niet te zitten. Letterlijk zei Bakker:

“Het is zeker dat een plaatselijk referendum een andere uitslag had gegeven en dat een A.R.-kandidaat zeker niet in aanmerking was gekomen.” De onderstreping staat letterlijk zo in de notulen van die vergadering, het woord 'niet' werd zeker met veel nadruk uitgesproken. Het was voor alle aanwezigen, waaronder de minister van Binnenlandse Zaken, duidelijk hoe de verhoudingen in de Haringstad waren.

Tijdens de raadsvergaderingen vlogen Kofman aan de ene kant en Rodenburg en Roosendaal aan de andere kant elkaar keihard in de haren. Of het nu over woningbouw ging of over een nieuwe regent voor het weeshuis, het maakte niet uit. De strijd duurde net zolang als de raadsvergaderingen. Na afloop bracht Roosendaal de lichamelijk niet al te sterke Kofman in zijn grote Amerikaan netjes naar huis. Over de echte ruzie tussen de burgemeester en zijn wethouders Rodenburg en Roosendaal is elders in deze Kroniek geschreven.

In zijn nieuwjaarstoespraak van 1946, de eerste na de bevrijding, somde burgemeester Haspels de problemen van de stad op. Hij sprak nog voor een noodgemeenteraad. Pas in augustus van dat jaar volgde de eerste echte gemeenteraadsverkiezing. Problemen met de gaslevering, de straatlantaarns die (dus) niet brandden, de baldadige jeugd. Ze kwamen allemaal aan bod. Maar bovenaan stond het probleem van de woningnood. De stad telde op dat moment ruim 200 woningzoekenden. Jarenlang zou het huizentekort rond de 200 à 300 woningen schommelen. Vlak voor de oorlog waren er 60 huizen onbewoonbaar verklaard. Door de oorlog was dit getal nog gestegen. De druk op de woningmarkt steeg ook nog omdat velen met trouwen hadden gewacht tot na de bevrijding. Daarbij kwam een forse geboortegolf. Gedurende een aantal jaren werden er meer dan 200 kinderen per jaar in de stad geboren. De woningnood zou nog lang op de agenda blijven.

Al met al zag de stad er armoedig uit. Krotten, verwaarloosde huizen, straten waar de gaten in het wegdek zaten, kapotte straatlantaarns en een kale Vest bepaalden het beeld. Aan die huizen en straten kon de gemeente op korte termijn niet veel doen. Er was een gebrek aan alles. In heel Nederland was er bijvoorbeeld nauwelijks aan bakstenen te komen. Maar aan die kale Vest kon men wel wat veranderen. Al in zijn eerste toespraak van het nieuwe jaar kondigde de burgemeester aan dat er jonge bomen gekocht waren. Enkhuizen stroopte de mouwen op, eerst de bomen op de Vest en in de straten terug!

De nieuwbouw

Een huis alléén bewonen, ook al was dat je eigendom, dat kon niet. Er wachtten teveel jongelui op woonruimte. Pasgetrouwden woonden noodgedwongen bij hun ouders in, of trouwden helemaal niet. Tot 1 oktober 1946 kon je als huiseigenaar kiezen uit een lijst van woningzoekenden, daarna besliste de burgemeester wie er bij je introk. “Vordering” heette dat. Er waren eigenaar/bewoners die heftig protesteerden tot gerechtelijke procedures aan toe. Het hielp niets. Er werd zelfs een aparte ambtenaar benoemd die in de gemeente op zoek ging naar woonruimte. Eén probleem moest wel uitgebreid bediscussieerd worden: kon je een protestants stel bij een katholieke eigenaar laten inwonen, of een socialist bij een protestant? De burgemeester probeerde met alles rekening mee te houden. Zelfs bij bejaarde bewoners werd zachte drang uitgeoefend om naar het diaconiehuis te gaan: hun huis was hard en hard nodig voor een jong gezin.

De woningbouwvereniging probeerde zoveel mogelijk huizen te bouwen. Het probleem was dat ze volledig afhankelijk waren van Den Haag en Haarlem. Daar werd bepaald hoeveel er in Enkhuizen gebouwd mocht worden. En dat was bar weinig. De stad was door de oorlog nauwelijks beschadigd en met twee à driehonderd woningzoekenden was de urgentie niet erg hoog. In het gebied tussen de Koepoort en de Burgwal was er plaats voor huizen. Na lang wikken en wegen kwamen daar duplexwoningen. Daar kon het stadsbestuur makkelijker toestemming van Den Haag voor krijgen. Duplexwoningen werden zo gebouwd dat er in eerste instantie twee gezinnen in konden wonen. Later was het makkelijk er eengezinswoningen van te maken. Er was een enorm tekort aan bouwmaterialen. Op een gegeven moment moest de bouw stil gelegd worden omdat er in Nederland geen dakpannen te krijgen waren!

Verder werden in de eerste jaren na de oorlog kleine blokjes woningen gerealiseerd in de Davidstraat, Kruislaan, Venuslaan en de Nanne Grootstraat. Met Sluis en Groot werd onderhandeld over het zuidelijk gedeelte van de Baan, een groot stuk bouwland in het westelijk gedeelte van de stad. Maar die onderhandelingen liepen uiterst moeizaam. Sluis en Groot kon ook niet zomaar een ander stuk land zoeken, het koste 7 à 8 jaar voorbereiding voordat dat echt geschikt was voor de tuinbouw. Eigenlijk was er maar één echte oplossing voor de woningnood: bouwen buiten de Vest.

Plan Noord

Op 6 mei 1949 werd in een besloten raadsvergadering gesproken over een uitbreidingsplan. Dat de stad uit zijn voegen barstte, was voor iedereen duidelijk. De vraag was wáár er gebouwd moest worden. In eerste instantie keek men naar het Westeinde. Dat gebied volbouwen leek de meest logische oplossing. Maar de provincie wilde dat niet. De vertegenwoordiger van de provincie, de heer Van Dijk, hechtte grote waarde aan de agrarische bedrijven die daar gevestigd waren. De PvdA keek naar het oosten. Al voor de oorlog had zij – de partij heette toen nog de SDAP – een Kooizandplan opgesteld, maar daar was nu juist het Zuiderzeemuseum gepland. Het zou nog jaren duren voordat de PvdA dat Kooizandplan zou opgeven.

Het noorden was eigenlijk de enige optie. Er zaten daar wel een aantal tuinbouw- en zaadbedrijven maar die zouden uitgekocht kunnen worden. Lastiger was de aanwezigheid van een aantal sportvelden en de Gemeentereiniging: het terrein waar de tonnetjes geleegd en schoongemaakt werden. Het stonk daar soms behoorlijk. En een stedenbouwkundige die de gemeente regelmatig adviseerde, mejuffrouw De Bon, vond dat het Schootsveld moest vrij blijven om een open uitzicht op de Vest te garanderen. Uiteindelijk besluit de raad dat er ten noorden van de stad gebouwd zou worden, Plan Noord was geboren. Maar het zou nog bijna tien jaar duren voordat de eerste paal de grond in ging.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube