Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Over dode punt heen in 1949

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Burgemeester Haspels
Burgemeester Haspels
In de nieuwjaarstoespraak die burgemeester Haspels in de raadsvergadering van 21 januari 1949 hield, kwam het woord ‘oorlog’ niet meer voor. Uiteraard betekende dit niet dat de gebeurtenissen van 1940-1945 vergeten waren, verre van dat, maar de allerergste schade uit die tijd was hersteld en er werd vooruitgekeken. De bevolking groeide, en niet zo’n beetje ook. 179 Baby’s waren er in het jaar 1948 geboren. Op 1 januari 1949 had Enkhuizer 10.585 inwoners.

De visafslag was een succesverhaal. In 1948 werd een omzet van tweeënhalf miljoen gulden gehaald en de vooruitzichten bleven gunstig. Niet voor niets werd de afslag vergroot, de hele veilingruimte werd zelfs betegeld. In de haven kwamen lichtmasten met de moderne natriumlampen. De vissers konden nu ook ’s ochtends vroeg of ’s avonds laat veilig aan en van boord gaan. Ook op andere gebieden werd weer geïnvesteerd. De meeste straten waren inmiddels opgeknapt. Er was een nieuwe vuilnisauto aangeschaft, met de bijbehorende vuilnisemmers en de brandweer kon eindelijk een nieuwe autospuit kopen.

De socialist Bakker zei in een reactie op de toespraak van de burgemeester dat het leek alsof het dode punt gepasseerd was. Hij noemde met name het röntgenonderzoek van het gemeentepersoneel, eindelijk werd de tbc serieus bestreden. Maar ook het sociaal-cultureel werk kon nu met subsidies gesteund worden. De muziekkorpsen en de speeltuinverenigingen bijvoorbeeld kregen sinds kort wat geld van de gemeente. De Wester- en de Zuiderkerk werden gerestaureerd. En zelfs het oude gymzaaltje in de Westerstraat, tegenover het oude weeshuis, kreeg een opknapbeurt.

Natuurlijk waren er zaken blijven liggen. Iedereen wilde graag van de poeptonnetjes af. Maar het zou nog een paar jaren duren voordat de tonnetjes vervangen werden door septictanks en riolering.

Het badhuis had te weinig capaciteit. ’s Zaterdags moesten de arbeiders uren wachten voor dat ze een douche of een bad konden nemen. Voorzichtig werd er gedacht aan een nieuw badhuis of misschien wel een zwembad!

Kritiek was er natuurlijk ook. In de beraadslagingen die volgden op de Nieuwjaarstoespraak maakte de ARP’er Vis zich vrolijk over het feit dat het B en W er nog steeds niet in geslaagd waren om een plek voor een aantal urinoirs te vinden. Een leuk item voor de gemeenteraadsverkiezingen een paar maanden later. Hij uitte ook kritiek op het feit dat de samenwerking tussen de ARP-burgemeester en de twee PvdA-wethouders nog steeds zo stroef verliep. Toch eindigde hij niet helemaal in mineur. Hoe traag en onbevredigend ook, er begon een beetje schot in de woningbouw te komen.

Waar de bestuurders nog lang niet uit waren was de economische toekomst van de stad. Tuinbouw en visserij waren twee sterke bedrijfstakken. Moest Enkhuizen ook een museumstad worden? Men was zeer verheugd dat het Zuiderzeemuseum naar Enkhuizen kwam, maar of dat genoeg was? Industrialisatie was in heel Nederland het toverwoord dat voor nieuwe werkgelegenheid moest zorgen. Maar in Enkhuizen had men zijn lesje in de jaren dertig wel geleerd. Als je de industriële bedrijven echt nodig had, zoals tijdens de crisis, “verdwenen ze als sneeuw voor de zon” had wethouder Rodenburg al eens gezegd. Van links tot rechts, tot aan de burgemeester aan toe, vond men dat Enkhuizen maar niet meer aan een grootschalige industrialisatie moest beginnen. Kleinschalige bedrijven, met maximaal 10 man personeel, die hoorden hier wel. Maar aan grotere bedrijven had men geen behoefte. Ook Oud Enkhuizen was het hier mee eens. “Al die hoge schoorstenen, die horen hier niet”, verklaarde de vereniging.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube