Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Wisseltonnen en fabrieken

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

In de eerste jaren na de oorlog werd er verbeten gediscussieerd in de raadszaal. Sietzes, Roosendaal, en Rodenburg van de PvdA stonden tegenover de “christelijken” met Kofman als aanvoerder. Vooral de coalitiebesprekingen na de verkiezingen konden stof tot bittere nabeschouwingen geven. Er werd over elke bestuursbenoeming van een regent van het Weeshuis fel gevochten tussen links en rechts. Rechts betekende toen nog christelijk, links niet christelijk. Men schuwde de persoonlijke aanval niet. Een wethouder die 65 werd, een raadslid dat bij een ander raadslid of een wethouder in dienst was: hij kon er op rekenen dat het tegen hem gebruikt werd.

Tijdens de algemene beschouwingen in 1960 werd van verschillende kanten gememoreerd dat de sfeer tijdens de raadsvergaderingen een stuk plezieriger was. Overigens moet wel gezegd worden dat de strijd tussen rechts en links zich tot de raadszaal beperkte. Daarbuiten gedroeg men zich onberispelijk tegenover elkaar. Roosendaal, hij was een succesvol ondernemer, had een grote Amerikaanse wagen waarmee hij de slecht lopende Kofman na elke raadsvergadering netjes naar huis bracht!
Industrialisatie
Oostelijk West-Friesland gold officieel als probleemgebied. In de verschillende Industrialisatienota’s van de regering werd dit gebied een Industrieel Ontwikkelgebied genoemd. De twijfelachtige eer deelde de regio met gebieden als Oost Groningen, Zuid-Oost Drenthe of Noord Limburg. Vooral na 1956 probeerde de landelijke overheid in deze gebieden de industrialisatie te bevorderen. Men was beducht voor het vollopen van de Randstad.

In Enkhuizen geloofde men niet zo erg in die industrialisatie. De socialisten hadden in de jaren dertig hun lesje geleerd. De crisis had vooral huisgehouden in de industrie in Enkhuizen. Daar was de werkeloosheid dan ook het grootst geweest. De werkgelegenheid in de agrarische sector was min of meer in stand gebleven. De PvdA leek gelijk te krijgen. De Kleine Put in het zuiden van de stad werd gedempt om er een industrieterrein, Plan Zuid, van te maken. Het duurde twee jaar voordat er enige belangstelling voor was. Er werden al suggesties gedaan om er maar volkstuintjes van te maken. Gelukkig kon burgemeester Admiraal de raad in 1955 melden dat de Draka zich op het industrieterrein wilde vestigen. Het leverde 120 arbeidsplaatsen op. Als kerngemeente in een Industrieel Ontwikkelgebied kreeg Enkhuizen ook nog een premie van de minister van Economische zaken. Zelfs de PvdA was enthousiast. Men hoopte dat er een einde zou komen aan de lange afstandspendel zoals de dagelijkse trek naar Amsterdam, de Zaanstreek of de Hoogovens genoemd werd.

Maar de landbouw en de visserij leverde ook nog werkgelegenheid op. Het woord ruilverkaveling viel nog nauwelijks. Nog steeds kloetten de kleine bouwers naar de polder om daar hun lapje grond te bewerken. En je kon nog steeds een schuit met een paar koeien door het Handvastwater naar de polder zien varen. Ook de visserij bleef het goed doen. In 1960 bouwde men naast de visafslag een koelcel. Dat was nog steeds lonend. Nu is het Almanakmuseum in het gebouwtje gevestigd.

Toerisme
G.J. Stavenuiter, hij was raadslid voor de KVP, drukte het zeer kernachtig uit. Tijdens de Algemene Beschouwingen in 1950 zei hij letterlijk: “Dat geleur om wat vreemdelingen binnen onze Vest te krijgen, in de hoop dat ze een kwartje verteren, zou dat de toekomst moeten zijn van ons Enkhuizen?”. Hij werd weliswaar door de voorzitter gekapitteld maar hij zal niet de enige Enkhuizer geweest zijn die er zo over dacht. Maar tien jaar later kon B & W het eerste recreatieplan presenteren. Het was geschreven door mej. ir van der Ban. Zij had jaren eerder ook het uitbreidingsplan geschreven. De stad heeft het aan haar te danken dat er een mooie groene ruimte, het schootsveld, tussen de oude en de nieuwe stad ligt. In het recreatieplan werd de aanleg van een grote camping en een jachthaven aangekondigd. Zonder noemenswaardige veranderingen is het plan uitgevoerd.

De grote publiekstrekker moest natuurlijk het Zuiderzeemuseum worden. In 1949 werd een propagandatentoonstelling in de Drommedaris gehouden. De naam Zuiderzee-Museum- Tentoonstelling verwees direct naar De Zuiderzee- Visserij-Tentoonstelling in 1930. Door die tentoonstelling immers was het idee van een Zuiderzeemuseum geboren en had Enkhuizen zich als vestigingsplaats van zo’n museum in de kijker gespeeld. In 1950 werd het binnenmuseum geopend. Enkhuizen had er een grote toeristische attractie bij.

Woningnood
De woningnood bleef. Elk jaar moest de burgemeester in zijn Nieuwjaarsoverzicht melden dat er ongeveer tweehonderd urgente woningzoekenden waren. De meeste lege plekken in de binnenstad waren inmiddels volgebouwd, maar je zag nog steeds zag je de bordjes met de tekst “Onbewoonbaar Verklaarde Woning”. Tot irritatie van het stadsbestuur kwam het vaak voor dat een eigenaar zo’n krot niet bewoonbaar maakte, zoals de bedoeling was, maar het pand in gebruik nam als garage of opslag. Of zo’n pand bleef bewoond omdat de stad geen vervangingsruimte had.

In 1950 was er nog een echte ambtenaar die tot taak had naar ongebruikte woonruimte te speuren. Hij kon inwoning afdwingen. De eigenaar kon dan gedwongen worden om een huurder te accepteren. Wie dat werd, dat besliste B&W. Maar, verklaarde de burgermeester ter geruststelling aan de Raad, we houden wel rekening met de godsdienst van de betrokkenen. “Het kon niet zo zijn dat als de één naar jazz luisterde, de ander een kerkdienst op de radio wilde volgen.” Veel huizen waren toen erg gehorig.

De bouw van Plan Noord lag in 1960 goed op stoom. Voor de ongeduldige Raad was het natuurlijk nooit genoeg. Maar de discussie veranderde, het ging nu niet alleen meer over de aantallen. De raadsleden spraken over het bouwen van ruimere huizen voor de zogenaamde middenstand. Daar was tekort aan. In 1960 moest de gemeente nog een Patrimoniumwoning aan de Molenweg opknappen. Het was de enige manier om een rector van de HBS aan de stad te binden.

De PvdA wilde meer kamers in de nieuwbouwhuizen. Naast de woonkamer, de slaapkamer voor de ouders, één voor de jongens en één voor de meisjes, moest een arbeidershuis ook een studeerkamer hebben. Ook de kinderen van de arbeidersklasse gingen nu studeren. En bij elke nieuwe fase van Plan Noord werden de straten breder, de planners moesten nu rekening houden met de auto’s. Jammer genoeg ging dat ten koste van de trottoirs, die werden smaller.

Verkeer
Het drukker wordende verkeer leidde tot ongelukken en dat vroeg weer om maatregelen. Een ongeluk op de hoek van de Klopperstraat en de Westerstraat in 1960 leidde ertoe dat er in de raad om een stoplicht geroepen werd. “Dat hoefde niet”, zei de wethouder, “van één van de auto’s waren de ruiten beslagen geweest. En daar helpt geen stoplicht tegen”. Ook de steeds populairdere brommer leidde tot problemen. De jeugd vond het nodig om met open knalpotten rond te rijden. Ook daar moesten natuurlijk weer maatregelen tegen getroffen worden. De jeugd zorgde zo voor wel meer problemen. Ze hadden nu draagbare radio’s waarmee ze ook voor geluidsoverlast zorgden. Het werd langzamerhand traditie om op St. Maarten relletjes te veroorzaken. Zorgelijk vond de burgemeester dat. Hij riep de ouders op er tegen op te treden.

Rodenburg stelde in de raadsvergadering van 9 oktober 1950 een zeer eenvoudige maatregel voor om de verkeersveiligheid te bevorderen. Hij vroeg B&W de brugleuningen van de bruggen van de Zuiderhavendijk wit te schilderen. Vooral artsen die ’s nachts met de auto naar patiënten moesten klaagden erover dat ze in het donker de gracht in dreigden te rijden. De stad was ’s nachts nog pikkedonker. Hier en daar stond een enkele gaslantaren. Alleen Plan Noord had heel moderne elektrische lantarens. Overigens kreeg Rodenburg zijn witte leuningen niet. De vissers hingen hun netten over de brugleuningen te drogen, en daardoor zou de witte verf snel beschadigd raken, stelde wethouder Beekman. Hij stelde voor reflectoren aan de bruggen te bevestigen. Het duurde nog jaren voordat de oude stad een elektrische straatverlichting kreeg.

Volksgezondheid
Op andere punten kon de stad zijn burgers wel verbeteringen aanbieden. Men was tevreden over de vuilnisbakken die de burgers nu voor het eerst konden gebruiken. De volksgezondheid ging vooruit omdat eindelijk de TBC bestrijding serieus aangepakt werd. Door de riolering verdwenen de wisseltonnen uit de huizen. In 1960 waren er nog “maar” 530.

En de moderne tijd brak echt aan toen de burgemeester tijdens de begrotingsdebatten in 1960 moest melden dat de opbrengst van de vermakelijkheidsbelasting voor het eerst na de oorlog omlaag gegaan was. “Zou die TV er wat mee te maken hebben?”, vroeg de burgervader zich af. Hij zou binnen een paar jaar een duidelijk antwoord krijgen.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube