Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

De gobelin-affaire: Een ruzie rond de wandtapijten

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Klaas Koeman

Een van de gobelins: allegorie van Barmhartigheid
Een van de gobelins: allegorie van Barmhartigheid
“Het zijn net oude gordijnen. Men moet er niet aankomen, want dan blijken ze uit elkaar te vallen.” Met deze bijna oneerbiedige woorden gaf het raadslid C. Groot zijn mening over de gobelins weer. Hij had zojuist als voorzitter van de onderzoekscommissie de zogenaamde gobelinaffaire onderzocht. Die affaire had zelfs de landelijk pers gehaald. En het Enkhuizer bestuur zou het Enkhuizer bestuur niet zijn geweest als er niet een geweldige ruzie uit zou zijn ontstaan.

Het aanbod
De zogenaamde Weeskamer in het stadhuis is behangen met een aantal prachtige gobelins. Al in 1710 had de vroedschap, de voorloper van de gemeenteraad, de Amsterdamse Alexander Baert opdracht gegeven de wandbekleding te vervaardigen. Samen met de gobelins van de Staten van Zeeland en de gobelins in de oude raadszaal van Haarlem zijn ze de enige in Nederland die nog op hun oorspronkelijke plaats hangen. De Enkhuizers wisten dat. In 1882 was er een Amsterdammer geweest die meer dan tweeduizend gulden voor de wandbekleding had geboden. Bijna verontwaardigd had de Raad het aanbod van de hand gewezen.

Verhuizingen
Maar in de loop der jaren waren ook deze prachtstukken aan slijtage onderhevig geweest. In het begin van de twintigste eeuw was er al eens wat aan gerepareerd, maar er moesten drastischer maatregelen genomen worden. In 1942 werden de gobelins afgenomen, schoongemaakt en in manden verpakt naar Bloemendaal verzonden om veilig in de kluizen van de Twentsche Bank (later de ABN) opgeborgen te worden. Later verhuisden de gobelins, nog steeds in manden, naar de kluizen van het Frans Hals Museum in Haarlem en naar de grote Rijkskluizen in Paaslo, bij Steenwijk. Daar overleefden ze, samen met andere kunstwerken, de oorlog. Als deskundige had de gemeente mej. Dr. G.T. van IJsselstein ingeroepen. Zij hield de gobelins in de gaten en zou later een restauratie advies opstellen. Zij leidde het atelier van het Frans Hals museum waar verschillende gobelins, onder andere de tapijten uit de oude raadszaal in Haarlem, gerestaureerd werden. Maar van restaureren van de Enkhuizer gobelins kwam niet veel. Na de oorlog was er geen geld en, sterker nog, er was in Nederland ook geen zijde om dit soort vroeg achttiende- eeuwse wandtapijten mee te herstellen. In 1948 besluit het gemeentebestuur de gobelins weer terug te halen en na een tijdje werden ze maar weer opgehangen.

Muf
Maar voordat de gobelins weer naar de Weeskamer terug keerden hadden de gobelins dus een tijdje in de manden in de gemeentelijk kluis gelegen. Na een maand of vijf had wethouder Roosendaal zijn vrouw, als deskundige, en het raadslid Mevis gevraagd naar die gobelins te kijken. De twee schrokken. De tapijten waren nat, ze roken muf en ze waren vuil. De losse spijkertjes en de dotten stof rolden er zo uit. Het leek wel, verklaarde wethouder Roosendaal, of iemand ze in de manden getrapt had. Hij was overigens niet lang wethouder meer. Na de verkiezingen in 1949 keerde de PvdA niet meer terug op het regeringspluche. Het besluit om de inmiddels zeer beschadigde en verwaarloosde gobelins weer op te hangen werd door het nieuwe college genomen.

Zwarte Pieten
In mei 1950 brak een rel uit. In de raadsvergadering werd de slechte staat van de gobelins aan de kaak gesteld. Scherpe vragen werden er gesteld. Wie was er verantwoordelijk voor de slechte staat van dit kostbare bezit van de stad? Waren de gobelins al in zo’n slechte staat naar Enkhuizen terug gekomen of was de gemeentelijk kluis zo vochtig? Met andere woorden: het Zwarte Pieten was begonnen.

De PvdA fractie, toch al geïrriteerd omdat ze buiten de coalitie gehouden was, beschuldigde Ypema, het hoofd van Gemeentewerken. Hij was een ambtenaar met een uitgesproken politieke voorkeur voor de ARP.

Regelmatig kwam hij met de PvdA fractie in aanvaring. Hij had de toestand van de gobelins moeten controleren toen ze weer terug kwamen. Uiteraard was hij ook verantwoordelijk voor de gemeentelijke kluis. De ARP fractie verdedigde “hun” ambtenaar fel. Zij schoven de Zwarte Piet naar de voormalige PvdA wethouder Roosendaal. Hij was verantwoordelijk geweest. Maar Roosendaal verklaarde dat hij juist veel met de gobelins op had. Hij had ze terug laten halen en ze na een aantal maanden laten controleren, onder andere door zijn vrouw.

Commissie
Toen de zaak de landelijke pers haalde en er hier en daar stemmen opgingen om de vereniging Oud Enkhuizen de zaak te laten onderzoeken, greep burgemeester Admiraal in. Hij benoemde een commissie.

Ruim twee jaar later, in maart 1953, kwam de commissie met het rapport. De voorzitter C. Groot vergeleek de gobelins met oude gordijnen; had een prachtige kandidaat gevonden voor de Zwarte Piet: mej. dr. G. T .van IJsselsteijn, het hoofd van het restauratieatelier in Haarlem. Zij was door de gemeente ingehuurd als deskundige en zij had de gobelins in de gaten moeten houden. Groot stelde letterlijk dat hij nergens had gelezen dat IJsselsteijn ontslag gekregen had, met andere woorden: zij was dus nog verantwoordelijk. Het hielp natuurlijk ook dat mej. dr. IJsselsteijn zichzelf in verschillende brieven tegensprak en dat ze geen zin had om naar Enkhuizen te komen.

Rijksmuseum
Uiteindelijk zijn de gobelins toch gerestaureerd. Niet door het atelier van het Frans Hals museum in Haarlem, maar door het atelier van het Rijksmuseum in Amsterdam. Het heeft jaren geduurd. Pas in 1965 is het laatste doek weer opgehangen.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube