Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Het dure studentenleven in de jaren vijftig - Liften naar de grote stad

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Pieter Jan de Vries

Het dure studentenleven in de jaren vijftig - Liften naar de grote stad
In de jaren vijftig was doorstuderen buiten de stad niet zo vanzelfsprekend als tegenwoordig. Veel ouders moeten hebben ‘kromgelegen’ of ‘elke cent omgekeerd’ of zelfs ‘het brood uit eigen mond hebben gespaard’ om hun nageslacht op weg te helpen naar een betere bestaan dan ze zelf dachten te hebben.

De overheid die nog niet helemaal was bekomen van de Tweede Wereldoorlog moest er nog aan wennen dat studenten wel wat staatssteun konden gebruiken. Aan de grootte van de spaarzaam toegekende studiebeurzen was dat te merken. Duizend gulden voor collegegeld en een jaar op kamers was zelfs geen vetpot in een tijd dat de Chinees voor een ‘bami met ei’ maar tachtig cent – nu zes euro en dertig eurocent – vroeg. Een aparte post vormden de reiskosten. De OV-jaarkaart kwam hooguit in sciencefictionverhalen voor. Een retourtje Enkhuizen-Amsterdam stond al gauw voor drie warme maaltijden, maar een weekend overblijven in de grote stad kostte ook.

Toch bestond er voor gratis reizen al vanaf het eind van de oorlog een vriendelijke oplossing.

De dienstregeling van de NS was ná de spoorwegstaking en de vernielingen aan het systeem slechts langzaam op gang gekomen en de saamhorigheid uit die zwarte periode was nog groot.

Daarom was het voor velen vanzelfsprekend dat als iemand zo gelukkig was om over een auto te beschikken, hij zijn onbenutte zitplaatsen gastvrij aan een langs de weg dolend medemens aanbood. Het liften werd een alternatieve, plezierige verplaatsingsmogelijkheid.

Naast studenten waren er nóg een paar afhankelijke categorieën. Zo kregen dienstplichtige militairen één gulden per dag. Daar moesten ze ook de messuitgaven en sommige reiskosten van betalen. En het loon van leerlingverpleegsters werd voornamelijk bepaald door het woord leerling.

Op maandagochtend was doorgaans de grote uittocht uit Enkhuizen. Sommigen hadden dan al hun rijdende kennissenkring uitgekamd en op zondagavond een afspraak gemaakt. Anderen gokten op vertegenwoordigers van de zaadbedrijven, beurshandelaren of andere plaatsgenoten die hun brood buiten de stad moesten verdienen. De gokkers waren te vinden aan het begin van de Provinciale Weg. Doorgaans verscheen daar al gauw een auto. Aan het type wisten de wachtenden al op afstand wie de chauffeur was.

Een ingeslopen gewoonte was om als tegenprestatie de bestuurder een sigaret aan te bieden. Een pakje van een gebruikelijk merk was doorgaans niet duurder dan zestig cent en daarmee getransformeerd in een voordelige strippenkaart.

Nadat het liften uit geldkrapte geleidelijk aan verdwenen was, is het nog vele jaren een populair middel geweest om in de vakantie heel Europa door te trekken.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube