Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Onder de smederij ruist de zee

Volgende » « Vorige ^ Terug naar het Overzicht
Bron / Auteur: Dagblad de Spiegel, 29 oktober 1955

Onder de smederij ruist de zee
Leendert Nieman, een tachtigjarige smid in Enkhuizen, bewaart nog zorgvuldig een herinnering aan de Zuiderzee.

Door een onberedeneerde liefde tot de zee gedreven hebben ontelbaren, de eeuwen door, rondgezworven over de aardbol. Ze ontdekten vreemde landen, - doch eigenlijk voelden ze zich slechts op de zee thuis.

En diezelfde liefde tot de zee heeft gemaakt dat anderen niet verder konden en wilden leven, zodra ze van de zee werden geïsoleerd. Dat klinkt in een land als Nederland, waar men sinds mensenheugenis strijd voert tegen de zee, bijna ongelofelijk, doch er zijn mensen die de zee liever hebben dan het land. We hebben er de wonderbaarlijkste dingen over gehoord.

Zo vertelde ons de heer Schultink, die vroeger leraar was in Hoorn, dat hij als jongeman, van de prille lente tot in de late herfst, placht te zwemmen in de Zuiderzee, - maar na de afsluiting van de zee, die door de dijk in het Noorden het IJsselmeer werd, voelde hij dat het water het oude vertrouwde water niet meer was: het water was dood. En hij vertrok van Hoorn en ging in de stad Amsterdam wonen; hij kon dat dode water niet meer zien – hij wilde er niet meer in zwemmen en hij wilde niet meer aan de kust wonen. Hij vertelde ons ook van Doete Mulder, een visser uit Hindelopen, die zich in de nacht toen de zee werd afgesloten in de golven wierp, om er de dood te zoeken en te vinden. Ook hij kon niet meer leven aan de oever van een dode zee, waar geen eb en vloed meer zou zijn.

In Enkhuizen hebben we ook opgezocht de tachtigjarige Leendert Nieman, de smid die nog altijd ijverig aan het werk is in zijn smederij. Hij had juist een vuurhaak op het aambeeld, met de drie vissen, het wapen van Enkhuizen, er in geslagen. Hij toonde ons ook met trots al de uithangborden, lantaarnhaken en sloten die hij maakt en die hun weg vinden naar verre landen. Want de zoon van Leendert, - Piet Nieman – woont in Johannesburg en vindt er grage kopers voor het schone smeedwerk van zijn vader. De oude Nieman is een man van reusachtige gestalte en nog altijd van zo grote lichaamskracht, dat onze vingers kraakten toen hij ons een hartelijke hand gaf.

Hij maakte vroeger – en zijn vader voor hem – ankers voor de Zuiderzee-vissers: drie en soms vierhonderd ankers per jaar, maar na het sluiten van de zee hadden de vissers niet veel ankers meer nodig, - ze zochten baantjes aan de wal.

Doch de smid hield van de zee en hij bemint die nog. Hij kon de gedachte niet verdragen dat hij na het leggen van de dijk niet meer zou kunnen kijken naar het spel van eb en vloed, niet meer zou kunnen luisteren naar het bruisen van de golven, als ze stuksloegen op de kust. Met duizenden andere, die aan de kust van de Zuiderzee woonden, heeft hij alles gedaan om de afsluiting te verhinderen, doch hun wanhopige pogingen faalden.

En toen hem dat duidelijk werd, maakte hij een afspraak. Hij sprak met een vriend, de visser C. Blom Ezn, af dat zij in de nacht van 28 mei 1932 – de laatste nacht voor de afsluiting – nog eenmaal de zee op zouden varen.

En in die lentenacht voeren de oude Leendert en Kees Blom uit de haven van Enkhuizen weg, met de boter Enkhuizen 88. Ze namen een kist met flessen en inmaakpotten mee aan boord. En te middernacht, toen de torenklok van Enkhuizen verweg twaalf slagen sloeg, zaten deze twee
mannen daar aan boord en keken op naar de sterren en verweg, over de nog levende zee. En voor de laatste maal wierpen ze hun net uit.

Met het net slepend aan de boot zaten ze daar en zwegen. Toen stonden ze op, bogen zich over het gangboord en vulden flessen en potten met levend zeewater. Ze trokken het net binnen met een zilverig glanzende buit aan ansjovis en die visjes deden ze ook in de potten. Met deze kostbare lading voeren ze terug – zwijgend.

Sindsdien bewaart smid Nieman zijn zeewater zo zorgvuldig, als men slechts kostbare schatten bewaart: onder zware eikenbalken onder de vloer van de smederij staan ze op rijen, de flessen en potten, gevuld met de herinnering aan wat eens zee was. Die zware balken tilt de reusachtige smid op alsof het licht speelgoed was. En diezelfde reusachtige smidshanden pakten voorzichtig en teer bijna de flessen en potten om ze ons te tonen. Die ansjovisjes horen er in, zegt hij, want die horen ook in het wapen van Enkhuizen en ze hoorden in de zee. Als ik dood ga, zegt hij, dan zal ik ze vermaken: een pot voor de burgemeester van Enkhuizen, een voor Hoorn en een voor Amsterdam.

Hij heeft nog de zee bij zich, smid Nieman. Als hij in de smederij van de vroege ochtend tot de avond werkt, dan staat hij op de balken, waaronder – voor hem nog hoorbaar – de zee bruist.


Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube